Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
31-01-2005
Zaaknummer
03/1209 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Heeft appellant terecht geen verminderde verwijtbaarheid van gedaagdes gedraging aangenomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/1209 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 17 juli 2001 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan haar met toepassing van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet (ZW) met ingang van 1 april 2001 uitkering van ziekengeld is geweigerd.

Bij besluit van 24 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van gedaagde tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 15 januari 2003 (02/1010 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. J.C.P. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur, een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 2004, waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kollenburg, voornoemd, als haar raadsman.

II. MOTIVERING

Gedaagde was sedert 10 augustus 1998 als verkoopster in dienst van een babyspeciaalzaak. Zij had vanaf begin 2000 last van toenemende heupklachten, welke zouden zijn veroorzaakt door overbelasting in haar hoofdzakelijk lopend en staand uit te voeren werk. Zij moest zich als gevolg hiervan zo vaak ziek melden - ook nadat zij medio 2000 enige tijd ter vervanging van een collega administratief werk had verricht - dat zij zich genoodzaakt zag ontslag te nemen. Het dienstverband is vervolgens op haar verzoek met ingang van 1 april 2001 beëindigd. Na het ontslag heeft gedaagde zich bij appellant met ingang van

1 april 2001 ziek gemeld.

Terzake van deze ziekmelding heeft appellant aan gedaagde ziekengeld geweigerd, omdat zij door haar ontslagname een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW zou hebben gepleegd.

De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde door het nemen van ontslag weliswaar een benadelingshandeling heeft gepleegd, maar dat dit haar niet ten volle kon worden verweten. De rechtbank heeft daarbij

– kort samengevat – overwogen dat gedaagde stellig meende na haar ontslag snel administratief werk te zullen vinden, maar dat door de gestelde diagnose artrose de situatie ingrijpend veranderde en haar arbeidsmogelijkheden plotseling sterk werden verminderd. Door het stellen van deze diagnose zou het arbeidsongeschiktheidsrisico voor gedaagde, ook in het geval van administratief werk, onverwacht veel groter zijn geworden. De rechtbank concludeerde dat de mate van verwijtbaarheid aanleiding gaf om een maatregel te treffen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b van het Maatregelenbesluit, te weten 30%, en heeft op grond hiervan het bestreden besluit vernietigd.

Het hoger beroep is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Appellant stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Daartoe is aangevoerd dat gedaagde weliswaar pas na haar ontslagname wist dat zij artrose had, maar dat zij toen al om medische redenen ontslag had genomen. Volgens appellant had het op de weg van gedaagde gelegen om niet wegens deze redenen ontslag te nemen, maar had zij zich kunnen ziek melden en vervolgens op zoek kunnen gaan naar passend, lichter werk.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant. Verwijzend naar hetgeen verzekeringsarts C.B.M. Gielen in een rapport van 16 november 2001 en bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans in een rapport van 1 april 2002 hebben gesteld, is de Raad van oordeel dat gedaagde een bewuste keuze heeft gemaakt om ontslag te nemen en dat deze beslissing haar ten volle kan worden toegerekend.

De beschikbare medische gegevens bevatten geen aanwijzing dat de heupklachten van gedaagde zo ernstig waren, dat het voortzetten van haar dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Dat gedaagde achteraf te horen heeft gekregen dat de heupklachten een gevolg waren van artrose, doet hieraan niet af.

De Raad acht onder verwijzing naar voormelde rapporten dan ook niet gebleken van medische redenen, die gedaagde redelijkerwijs geen andere keuze lieten dan de beëindiging van het dienstverband.

Ook de in hoger beroep overgelegde brief van 8 maart 2002 van orthopedisch chirurg P.W. Pavlov, waarin deze vermeldt dat sprake is van enige pre-arthrosis van beide heupen, rechtvaardigt niet een dergelijke verstrekkende conclusie.

De Raad is dus, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant terecht geen verminderde verwijtbaarheid van gedaagdes gedraging heeft aangenomen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.