Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
03/1237 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Gedaagde concludeert terecht dat de maatstaf afbeid voor de Ziektewet niet wordt gevormd door de aangepaste functie, maar door de in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19, geldigheid: 2005-01-12
Ziektewet 29, geldigheid: 2005-01-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 89

Uitspraak

03/1237 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 13 september 2002 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 21 februari 2003 (02/2129 ZW) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, op in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Appellant heeft bij brief van 23 juli 2003 – met bijlagen – een nadere uiteenzetting van zijn standpunt gegeven, waarop gedaagde bij brief van 26 januari 2004 heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren in 1965, is op 1 oktober 1984 bij ENKA bv in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van scheerder/sterker. Hij heeft zich op 29 augustus 1997 ziek gemeld wegens rugklachten. De verzekeringsarts M. Chafik heeft appellant met het oog op de beoordeling van diens aanspraken ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in juli 1998 onderzocht. Appellant heeft blijkens de rapportage van 14 juli 1998 tijdens dat onderzoek meegedeeld dat hij wegens rugklachten niet in staat was zijn eigen functie te vervullen. De verzekeringsarts heeft tijdens het onderzoek vastgesteld dat sprake is van tendomyogene rugklachten.

In psychisch opzicht ziet hij een evidente somatische fixatie maar geen tekenen van psychopathologie. De conclusie is dat appellant beperkingen heeft ten aanzien van zware rugbelasting. De beperkingen zijn vastgelegd in een belastbaarheidpatroon.

De arbeidsdeskundige E.J. Combé heeft op 21 september 1998 gerapporteerd.

Hij vermeldt dat de reïntegratie van appellant bij zijn werkgeefster in aangepast werk met zeer wisselend succes is verlopen. Na veelvuldige uitval werd vanaf 9 april 1998 een zekere balans gevonden bij werken in halve diensten in aangepast eigen werk. Gestreefd werd naar uitbreiding van de arbeidsduur per dag van 4 naar 8 uren. Het takenpakket was zodanig aangepast dat appellant met name in het werken boven schouderniveau zou worden ontzien. De verwachting van het Sociaal Medisch Team van de werkgeefster was dat appellant op niet al te lange termijn weer volledig geschikt zou zijn voor het eigen werk.

Vervolgens heeft appellant zich op 26 augustus 1998 volledig arbeidsongeschikt gemeld.

De arbeidsdeskundige rapporteert dat na overleg met appellant deze zich bereid heeft verklaard effectief met ingang van 24 september 1998 gedurende 8 uren per dag te hervatten in de functie scheerder met vermijding van rugbelastende taken. De loonwaarde van deze aangepaste functie is gesteld op 75% van het loon in de maatmanfunctie.

De arbeidsdeskundige heeft voorts een aantal theoretische functies geselecteerd die overeenstemmen met de vastgestelde belastbaarheid (operator bottelarij; assemblagemonteur; assemblagemedewerker; controleurtester printplaten; machineoperator). De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 25-35%.

Bij besluit van 19 augustus 1998 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 28 augustus 1998 recht heeft op een WAO-uitkering naar de klasse 25-35%.

In het kader van het bezwaar tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts

J.H.N. Verheijen in december 1998 gerapporteerd. Deze arts heeft inlichtingen verkregen van de huisarts R.H.J. Hendriks, die geen duidelijke diagnose heeft gesteld. Verheijen ziet een grote discrepantie tussen het klachtenpatroon en de objectieve medische gegevens. Hij verenigt zich met de vastgestelde belastbaarheid.

Het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 1998 is bij besluit van 18 januari 1999 ongegrond verklaard.

In het kader van het beroep in eerste aanleg tegen het besluit van 18 januari 1999 is bij nader besluit van 4 oktober 1999 meegedeeld dat appellant is ingedeeld in de klasse 35-45%.

Appellant heeft in beroep tegen het besluit van 4 oktober 1999 aangevoerd dat zijn gezondheidsklachten zijn onderschat. Hij heeft verwezen naar de bevindingen van reumatoloog dr. J.N. Stolk, die blijkens een brief van 11 februari 1999 een uitgebreid fibromyalgiesyndroom als werkdiagnose heeft gesteld. Tevens heeft appellant in hoger beroep omtrent zijn psychische klachten een brief van 16 juli 2001 van de Spaanse psychiater J.A. Fernandez overgelegd. De Raad heeft in hoger beroep bij uitspraak van 23 oktober 2001 – evenals de rechtbank – geconcludeerd dat, gezien alle medische gegevens, niet gebleken is dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Hij heeft de desbetreffende uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep tegen het besluit van 4 oktober 1999 ongegrond is verklaard, bevestigd. Het besluit van 4 oktober 1999 is derhalve in rechte in stand gebleven.

De geplande hervatting in de aangepaste functie in september 1998 heeft geen doorgang gevonden. Blijkens de gedingstukken is appellant eerst op donderdag 11 februari 1999 (verlaat en onder protest) gaan werken in de aangepaste functie. Hij heeft zich op maandag 15 februari 1999 weer ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft deze ziekmelding niet geaccepteerd en heeft appellant doorgezonden naar de afdeling personeelszaken.

Blijkens een rapport van de arbeidsdeskundige Combé d.d. 3 maart 1999 heeft appellant in het contact met personeelszaken te kennen gegeven niet meer bij ENKA bv te willen werken. Naar aanleiding van dit gesprek is een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met appellant op gang gekomen. De arbeidsovereenkomst is door tussenkomst van de kantonrechter met ingang van 1 september 1999 ontbonden. Appellant heeft in de tijdspanne van 15 februari tot 28 mei 1999 – op welke dag hij op non-actief is gesteld – gedurende enkele perioden gewerkt. Blijkens de gedingstukken heeft hij eerst nog in de aangepaste functie gepoogd te werken. Dat lukte niet. Daarna heeft hij nog allerlei klussen verricht, zoals straatvegen.

De werkgeefster heeft op 7 september 1999 in het kader van de Ziektewet melding gedaan van de arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 september 1999.

De verzekeringsarts D.C.P. Sintnicolaas heeft blijkens zijn rapport van 29 november 1999 appellant op het spreekuur gezien. Appellant heeft toen meegedeeld zich niet in staat te achten tot arbeid. Hij heeft meegedeeld dat zijn klachten in essentie niet zijn gewijzigd.

Bij besluit van 25 november 1999 is vervolgens per 1 september 1999 ziekengeld geweigerd.

In het kader van het bezwaar tegen het besluit van 25 november 1999 heeft de bezwaarverzekeringsarts Verheijen appellant in aansluiting op de hoorzitting d.d. 8 mei 2000 lichamelijk en psychisch onderzocht. Deze arts heeft geen psychische stoornissen waargenomen. Bij het lichamelijke onderzoek heeft hij geen afwijkingen gezien. De huisarts heeft desgevraagd op 22 mei 2000 informatie met betrekking tot de fibromyalgie gegeven. De huisarts heeft betrokkene gezien met een sombere stemming, waarvoor op 10 februari 2000 Seroxat is voorgeschreven.

De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat appellant in fysiek en psychisch opzicht op 1 september 1999 in staat kan worden geacht tot het vervullen van de bij de WAO-schatting per 28 augustus 1998 geselecteerde functies. Tevens acht hij appellant in staat de aangepaste functies bij zijn werkgeefster te vervullen.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde aan appellant meegedeeld, dat hij op 29 augustus 1997 ongeschikt is geworden en nadien is gebleven voor de functie van scheerder/sterker. Deze ongeschiktheid heeft op 27 augustus 1998 al 52 weken geduurd. Ter zake van deze ongeschiktheid bestaat daarom op grond van artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet na 27 augustus 1998 geen aanspraak meer op ziekengeld. Hervatting in de aangepaste functie is mislukt. Vanaf 28 augustus 1998 gelden daarom als maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Voor het merendeel van die functies acht gedaagde appellant niet ongeschikt. Appellant heeft daarom per 1 september 1999 geen recht op ziekengeld.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover thans nog in geding, ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat als maatstaf voor de arbeid in de zin van de Ziektewet dient te worden aangemerkt de eigen functie met restricties. Hij heeft immers vanaf 11 februari 1999 gedurende enkele perioden in deze aangepaste functie hervat. Hij heeft voorts gesteld dat zijn medische beperkingen per 1 september 1999 zijn onderschat.

De Raad onderschrijft het gestelde in het bestreden besluit. Tot een serieuze, daadwerkelijke uitoefening van de aangepaste functie lijkt het niet of nauwelijks te zijn gekomen. Veeleer lijkt sprake te zijn geweest van enkele pogingen tot hervatting. Appellant achtte zichzelf kennelijk ook ongeschikt voor de aangepaste functie. Gedaagde stelt op goede gronden dat de hervatting in de aangepaste functie is mislukt. Gedaagde concludeert daarom terecht dat de maatstaf afbeid voor de Ziektewet niet wordt gevormd door de aangepaste functie, maar door de in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.

De Raad ziet voorts geen redenen het standpunt van gedaagde onjuist te achten, dat appellant op 1 september 1999 medisch in staat geacht kon worden tot het vervullen van deze functies. De Raad stemt met betrekking tot de beoordeling van de medische grieven in met de overwegingen van de rechtbank. De Raad wijst er voorts op dat hij reeds in zijn uitspraak van 23 oktober 2001 heeft overwogen in de gerapporteerde fibromyalgieklachten en psychische klachten geen aanleiding te zien de medische grondslag van de bedoelde WAO-schatting onjuist te achten. De nader overgelegde medische gegevens leiden, mede gezien het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Verheijen d.d. 21 januari 2004, de Raad niet tot een ander oordeel.

De conclusie is dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het bestreden besluit dient, voor zover in geding, in rechte in stand te blijven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch. J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E.Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.