Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
03/670 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering afgewezen op de grond dat betrokkene niet beschikt over rechtmatig verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/670 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. drs. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2003,

reg.nr. 02/1752 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2005, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandig-heden.

Appellant, van Ecuadoriaanse nationaliteit, heeft op 12 juli 2000 een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf in Nederland met als doel medische behandeling.

Op 6 november 2001 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet beschikt over rechtmatig verblijf.

Bij besluit van 26 februari 2002 is het tegen het besluit van 27 november 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

26 februari 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat appellant op grond van het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van rechtsregels ten tijde hier van belang - 6 november 2001 - geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Appellant kon immers niet met een Nederlander worden gelijkgesteld op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw aangezien hij geen vreemdeling was in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en hij kon ook niet op grond van artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz met een Nederlander worden gelijkge-steld.

In de door appellant aangevoerde omstandigheid met betrekking tot zijn noodsituatie en het feit dat zijn vreemdelingenprocedure nog aanhangig is en uitzetting op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 achterwege dient te blijven, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen. De hierboven getrokken conclusie op grond waarvan appellant geen recht op bijstand kan doen gelden, brengt met zich dat bijstandsverlening wegens zeer dringende redenen in afwijking hiervan op grond van artikel 11, tweede lid, van de Abw evenmin mogelijk is.

In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het besluit tot afwijzing van het recht op bijstand terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

GdJ

111