Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
03/367 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies worden geschikt geacht voor betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/367 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.M. Kits, op bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 12 december 2002, onder reg. nr.: SBR 02/25, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, voorheen aangesteld als ambtenaar, laatstelijk in de functie van assistent archivaris, ontvangt sedert zijn ontslag in 1992 wachtgeld. Op 9 augustus 1998 heeft hij zich vanuit die situatie bij gedaagde ziek gemeld met psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is geadviseerd appellant 15 tot 25% arbeidsongeschikt te achten. Bij het einde van de wachttijd is appellant echter bij besluit van 3 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van diezelfde datum heeft gedaagde appellants WAO-uitkering per 4 juni 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

15 tot 25%. Bij besluit van 29 november 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Appellant stelt dat hij nauwelijks medisch is onderzocht en dat bij het medisch onderzoek niet is opgemerkt dat hij een lui oog heeft. Appellant meent dat hij door het luie oog de functie printplatenmonteur niet kan vervullen. Voorts meent appellant dat hij door zijn objectief bepaalbare aandoeningen, met name artrose van het rechter acrimion met arthritis, chronisch vermoeidheidssyndroom en een hiatus hernia oesophagei, niet in staat is 36 uur per week te werken.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant is op 20 juli 1999 onderzocht door verzekeringsarts A.B. Blaauw-Hoeksma. Deze heeft appellant laten onderzoeken door psychiater B. Oskam. Oskam komt in zijn rapport van 17 augustus 1999 tot de conclusie dat bij appellant geen sprake is van een psychiatrische stoornis. Wel is sprake van een neurotisch gemengde persoonlijkheidsstoornis en heeft appellant problemen met autoritair gekleurde arbeidshiërarchie c.q. oppositioneel gedrag. Mede op basis van de bevindingen van Oskam en informatie van de behandelend internist dr. R.H.W.M. Derksen, heeft genoemde verzekeringsarts fysieke en psychische beperkingen aangenomen en die op 23 augustus 1999 vastgelegd in een formulier Functie Informatie Systeem (FIS) AVA/AD.

Bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen heeft appellant laten onderzoeken door revalidatiearts W.C.G. Blanken, die in zijn rapport van 13 november 2001 concludeert dat ten tijde in geding sprake is geweest van een gegeneraliseerd pijnsyndroom bestaande uit artralgieën en myalgieën en aanwijzingen voor degeneratieve afwijkingen en impingement- klachten in de rechterschouder. Voorts vermeldt Blanken dat volgens de behandelend internist sprake is van een chronisch vermoeidheidssyndroom. Blanken heeft geen aanleiding gezien voor appellant meer beperkingen aan te nemen en geeft aan dat zijns inziens geleidelijke hervatting van arbeid voor appellant de beste behandeling is. Hierna heeft Nasheed-Linssen het oordeel van Blaauw-Hoeksma onderschreven.

In het kader van de procedure in eerste aanleg heeft appellant informatie overgelegd van, onder meer, de door hem geconsulteerde reumatologe Y. Schenk en revalidatiearts M.A.H. Brouwers. De medisch adviseur van gedaagde,

M.Th.L.W. Boersma, heeft op 6 maart 2003 op de betreffende stukken gereageerd en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft tot het aanscherpen van de beperkingen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de verschijnselen van arthritis na de datum in geding door de reumatologe zijn vastgesteld, waardoor zij bij de vaststelling van de beperkingen geen rol kunnen spelen.

De Raad is van oordeel dat het hiervoor weergegeven verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd en in de door hem in de loop van de procedure ingebrachte medische stukken geen aanleiding de conclusies van de verzekeringsartsen van gedaagde niet te volgen. De Raad ziet in de medische stukken bovendien geen reden om het belastbaarheidspatroon van 23 augustus 1999 niet ook op 4 juni 2000 van toepassing te achten.

Arbeidsdeskundige S. Brouwer heeft uitgaande van dit belastbaarheidspatroon uit het Functie Informatie Systeem (FIS) functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen zou kunnen vervullen. De Raad is van oordeel dat de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies samensteller printplaten, medewerker intern transport en assemblagemedewerker voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Weliswaar laten de verwoordingen functiebelasting van de functies samensteller printplaten en medewerker intern transport enige overschrijdingen zien, maar de Raad acht de aanvaard- baarheid daarvan voldoende toegelicht. Uitgaande van de loonwaarde van de mediane functie medewerker intern transport is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht vastgesteld op 15 tot 25%. Gelet daarop kan het bestreden besluit in stand blijven en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.