Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3619

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
24-01-2005
Zaaknummer
03/5185 WAO en 03/5186 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing over verzoek tot second opinion en uitkomst second opinion. Besluitbegrip.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2005-01-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/115

Uitspraak

03/5185 WAO en 03/5186 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Utrecht op 3 september 2003 en 4 september 2003, onder reg. nr. SBR 03/283 (hierna: geding 1) respectievelijk reg. nr. SBR 03/1431 (hierna: geding 2), tussen partijen gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen. Op 1 april 2004 heeft appellant in geding 2 een aanvullend beroepschrift ingediend.

Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend. Bij brief van 10 november 2004, met bijlage, heeft appellant op het verweerschrift in geding 1 gereageerd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 24 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen M.J. Lagerwey, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant was werkzaam bij het Ministerie van Justitie. In het kader van een reorganisatie is hij per 1 juli 2002 ontslagen onder toekenning van wachtgeld.

Op 3 juni 2002 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten.

Op 15 juli 2002 is appellant gezien door een bedrijfsarts van de Arbo Management Groep, die hem per die dag arbeidsgeschikt en bemiddelbaar verklaarde. Omdat appellant bezwaar had tegen deze hersteldverklaring, heeft hij gedaagde verzocht om een second opinion. Op 17 september 2002 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van gedaagde, die van oordeel was dat appellant op 15 juli 2002 niet volledig arbeidsongeschikt was te achten. Bij brief van 10 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij op 15 juli 2002 geschikt was voor het verrichten van het eigen werk. Omdat appellant het met dit oordeel niet eens was, heeft hij op 12 oktober 2002 gedaagde verzocht om een voor beroep vatbare beslissing. Voorts heeft appellant op

19 oktober 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank, die dit beroepschrift als bezwaarschrift heeft doorgezonden naar gedaagde. Bij brief van 31 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat geen voor beroep vatbare beslissing zal worden afgegeven. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 19 december 2002 het bezwaar van appellant tegen de brief van 10 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (bestreden besluit 1).

Op 26 september 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om een deskundigenoordeel over de reïntegratie-inspanningen van de werkgever. Gedaagde heeft dit verzoek bij brief van 27 november 2002 niet-ontvankelijk verklaard omdat de werkgever op 15 juli 2002 tegenover appellant geen verplichtingen meer had en appellant na het ontslag zelf verantwoordelijk was voor zijn reïntegratie, eventueel met hulp van de afdeling WW c.q. het CWI. De door appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 19 december 2002 niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluit 2).

De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de beide bestreden besluiten ongegrond verklaard.

03/5185

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat sprake is van dwaling omdat hij ten aanzien van de bezwaarprocedure na de hersteldmelding verkeerd is voorgelicht door gedaagde.

Voorts stelt appellant zich onverminderd op het standpunt, dat de second opinion gevolgen heeft voor zijn rechtspositie, daarom op rechtsgevolg is gericht en derhalve een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet suwi) heeft het Uwv tot taak op verzoek van een werkgever of een werknemer een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over het bestaan van ongeschiktheid tot werken, indien de werknemer een geschil heeft met de werkgever over de ongeschiktheid tot werken.

Bij uitspraak van 27 augustus 1997, gepubliceerd in JB 1997/224, heeft de Raad inzake het op 1 januari 1994 ingevoerde en per 1 maart 1996 vervallen artikel 39c, eerste lid, van de Ziektewet – welke bepaling overeenstemde met voormelde bepaling van de Wet suwi – vastgesteld dat een second opinion als hier aan de orde een attest is, waarvan de werknemer in het kader van een vordering tot loondoorbetaling tegenover zijn werkgever gebruik kan maken. De Raad ziet in dit geding geen reden voor een ander oordeel.

Gelet daarop heeft de brief van 10 oktober 2002 waarbij de uitkomst van de second opinion aan de betrokkene wordt meegedeeld geen zelfstandig rechtsgevolg, maar is die brief slechts een mededeling van feitelijke aard, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Gezien het vorenstaande heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 10 oktober 2002 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Dat appellant door een beambte van gedaagde mogelijk op het verkeerde been is gezet ten aanzien van het karakter van de second opinion kan aan het vorenstaande niet afdoen. Gedaagde heeft terecht het bezwaar van appellant tegen de brief van 10 oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard en uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

03/5186

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet suwi heeft het Uwv tot taak op verzoek van een werkgever of een werknemer een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over de vraag of de werkgever ten aanzien van zijn zieke werknemer voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het wettelijk niet mogelijk is een verzoek als hiervoor bedoeld zonder onderzoek en zonder dat er een deskundige aan te pas komt niet-ontvankelijk te verklaren. Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de werkgever, gelet op de loondoorbetalingsverplichting van 52 weken, reïntegratie-inspanningen diende te verrichten nu de bedrijfsarts bij de hersteldverklaring had aangegeven dat hij reïntegrabel was, maar dat geen reïntegratie-inspanningen zijn verricht. Indien de reïntegratie-inspanningen niet door de werkgever maar door het Uwv dienden te worden verricht, had de werkgever dit moeten aangeven, aldus appellant. Voorts meent appellant dat de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte door een administratief medewerker is gedaan.

De Raad is van oordeel dat een second opinion aangaande de reïntegratie-inspanningen van een werkgever hetzelfde karakter heeft als een second opinion over het bestaan van een ongeschiktheid tot werken. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor ten aanzien van die second opinion heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat ook een brief waarbij een verzoek tot het uitbrengen van een second opinion wordt afgewezen geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet daarop heeft daagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 27 november 2002 geen besluit is. Gezien het vorenstaande behoeft appellants grief ten aanzien van de ondertekening van deze brief geen bespreking meer.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagde het bezwaar van appellant gericht tegen de brief van 27 november 2002 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat uitspraak 2 eveneens dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

Gw