Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
03/625 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WW-uitkering vanwege van het niet kunnen werken door de weeromstandigheden afgewezen onder de overweging dat mist niet valt onder de buitengewone natuurlijke omstandigheden bedoeld in artikel 18 van de WW.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/102
RSV 2005, 97

Uitspraak

03/625 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zutphen op 7 januari 2003 onder nummer 02/239 WW tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 november 2004, waar voor appellant is verschenen mr. A.C.M. van de Pol, medewerker bij het Uwv, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.F. Maagd.

II. MOTIVERING

Gedaagde is werkzaam bij Corbeek Cable Technology Nederland BV te Westervoort (hierna: CCT of: de werkgever). CCT houdt zich onder meer bezig met het aanleggen van kabelinfrastructuren. In januari en februari 2001 werden door CCT in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen (NS) werkzaamheden uitgevoerd in de nabijheid van een spoorbaan. Ten gevolge van mist konden die werkzaamheden gedurende een aantal uren, verspreid over meerdere dagen, niet worden uitgevoerd, aangezien het zicht op die momenten minder bedroeg dan 1500 meter, de op grond van de veiligheidsvoorschriften van de NS vereiste minimale zichtafstand ter plaatse waar de werkzaamheden werden uitgevoerd. Terzake van het niet kunnen werken door die weeromstandigheden heeft gedaagde een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Op 14 mei 2001 heeft appellant de aanvraag afgewezen onder de overweging dat mist niet valt onder de buitengewone natuurlijke omstandigheden bedoeld in artikel 18 van de WW.

De daartegen gerichte bezwaren heeft appellant bij het thans bestreden besluit van 5 december 2001 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat mist wel onder de buitengewone omstandigheden, bedoeld in artikel 18 van de WW kan vallen indien deze zich meerdere dagen en de gehele dag zou voordoen, maar dat het feit dat gedaagde gedurende enkele uren over een aantal dagen niet kon werken niet uitsluitend het gevolg was van mist, maar van het feit dat op grond van de veiligheidsvoorschriften van de NS niet langs de spoorbaan gewerkt mocht worden.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van appellant niet onderschreven en heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom mist, anders dan vorst, geen buitengewone omstandigheid is als bedoeld in artikel 18 van de WW.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald. Daaraan heeft appellant ter zitting, zoals dat ook reeds ter zitting van de rechtbank was geschied, toegevoegd dat artikel 16 van de WW er aan in de weg staat dat een uitkering wordt verstrekt omdat de werkgever gehouden is het loon door te betalen, zodat in het geval van gedaagde geen sprake is van voor de toepassing van artikel 18 van de WW vereiste werkloosheid.

Gedaagde heeft ter zitting van de Raad benadrukt dat bij vorst steeds uitkeringen worden verstrekt, ongeacht de afspraken met de werkgever of een bestaande loondoorbetalings-verplichting.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WW heeft de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheid.

Uit de tekst van deze bepaling volgt dat alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van dat artikel, dient te worden vastgesteld of er sprake is van werkloosheid in de zin van de WW. Ingevolgde artikel 16 van de WW is sprake van werkloosheid indien de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. In casu staat vast dat de werkgever het loon over de betreffende dagen onverkort heeft doorbetaald. Tevens staat vast dat de werkgever op grond van artikel 7:628, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang met artikel 64 van de van toepassing zijnde CAO, daartoe ook gehouden was. Nu gedaagde derhalve niet als werkloos is aan te merken, is een beoordeling van de vraag of er sprake was van buitengewone natuurlijke omstandigheden, niet aan de orde.

Gedaagde heeft ter zitting gesteld dat, ongeacht de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en ongeacht hetgeen dienaangaand in de betreffende CAO is bepaald, appellant desalniettemin in geval van vorstverlet steeds een uitkering verstrekt. Appellant heeft erkend dat dergelijke betalingen worden verricht. Nu appellant die betalingen verricht bij vorst, is er volgens gedaagde geen reden om in geval er niet gewerkt kan worden in verband met mist, een dienovereenkomstige uitkering niet te verstrekken. Appellant heeft het bestaan van die praktijk erkend maar ziet geen reden die te volgen in andere gevallen dan van vorst.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de werkloosheid van gedaagde en de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever werd geconcludeerd is de Raad van oordeel dat de kennelijk door appellant gevolgde praktijk waarbij hij in geval van vorst als door partijen bedoeld een uitkering verstrekt, dit geen grondslag heeft in de WW. Bij het ontbreken van enig wettelijk voorschrift dienaangaande, moet dan ook worden geconcludeerd dat dergelijke betalingen geschieden in het kader van een door appellant gehanteerde buitenwettelijke praktijk. Met hetgeen gedaagde omtrent deze praktijk heeft aangevoerd, wil hij betogen dat ook uitkering ingevolge de WW behoort te worden toegekend in gevallen waarin niet gewerkt kan worden wegens mist. Gezien het karakter van deze praktijk ziet de Raad geen reden om appellant gehouden te achten ook uitkering te verlenen in gevallen waarin niet gewerkt kan worden wegens mist. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet genomen is in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

BvW

181