Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
03/2309 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het terugkomen van de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Toepassing art. 4:6 Awb. Geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/2309 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 maart 2003, nr. 01/1870 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 november 2004 zijn namens appellante nog enkele stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Voets, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

II. MOTIVERING

Appellante is tot 1 oktober 1976 werkzaam geweest als verpleegster en heeft aansluitend uitkering ontvangen ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en vanaf 1 april 1977 ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van appellante heeft gedaagde, na een procedure over de ingangsdatum van de aanspraak op uitkering, uiteindelijk met ingang van 20 maart 1979 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) aan appellante toegekend, waarbij gedaagde ervan is uitgegaan dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 21 maart 1978 is aangevangen. De WAO-uitkering van appellante is met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken, omdat appellante toen de leeftijd van 65 had bereikt.

In augustus 2000 heeft appellante aan gedaagde verzocht te verklaren dat zij vanaf 1 oktober 1976 recht heeft op een WAO-uitkering, omdat zij aldus over het tijdvak vanaf die datum tot haar 65e verjaardag alsnog aanspraak kan maken op premievrije pensioenopbouw bij het Pensioenfonds PGGM.

Bij beslissing op bezwaar van 24 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn primaire besluit van

7 mei 2001 gehandhaafd, waarbij de hiervoor genoemde brief van appellante is opgevat als een verzoek om terug te komen van de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag en onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afwijzend is beslist op dit verzoek, - primair - omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, overwegende dat de door appellante aangevoerde omstandigheden, te weten haar onbekendheid met de gevolgen van de gekozen eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor haar pensioenaanspraken, het feit dat zij in 1980 niet in staat was gebruik te maken van haar rechtsmiddelen en de gestelde misleidende activiteiten van gedaagde, niet aangemerkt kunnen worden als nieuwe feiten of omstandigheden.

Namens appellante is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat het verzoek van appellante niet aangemerkt had moeten worden als een herzieningsverzoek, maar als een (eerste) verzoek om toekenning van WAO-uitkering vanaf

1 augustus 1977. Daarbij is aangegeven dat toentertijd onvoldoende onderzoek is gedaan naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat wel sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat gedaagde de brief van appellante van 28 augustus 2000, mede op grond van enkele telefoongesprekken met appellante, terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 29 mei 1980. Daarbij acht de Raad mede van belang dat appellante in haar in 1979 ingediende aanvraag om een WAO-uitkering reeds heeft vermeld dat vanaf 1976 sprake is van arbeidsongeschiktheid. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit zijn weigering terug te komen van voornoemd besluit gehandhaafd. Een dergelijke weigering kan slechts terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraken gepubliceerd in RSV 2004, nrs. 87 t/m 91, hanteert de Raad in een geval als het onderhavige thans de volgende toetsingsnorm.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerder besluit, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat door of namens appellante geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die niet reeds aan de orde zijn gesteld in de in 1980 gevoerde procedure over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, dan wel toen niet als beroepsgrond naar voren gebracht hadden kunnen worden. De onbekendheid van appellante met de gevolgen van de toen vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor haar pensioenaanspraken kan niet als een nieuw feit aangemerkt worden, aangezien deze onbekendheid voor haar risico komt. Het feit dat appellante, in verband met haar pensioenaanspraken, grote financiele belangen heeft bij de vaststelling van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag maakt dit niet anders. Voorts heeft de Raad in de namens appellante overgelegde medische gegevens geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld kunnen ontwaren. Voorzover uit die stukken nieuwe gegevens blijken kunnen die naar het oordeel van de Raad slechts aangemerkt worden als een andere waardering van toentertijd al bekende medische gegevens.

Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op

14 januari 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Gunter.