Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
03/3987 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijk dienstverband (burger) beveiligingsbeambte wegens agresssief verkeersgedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/44

Uitspraak

03/3987 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 juni 2003, nr. AWB 03/20, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Haarlem, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Suwout, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

Tevens zijn ter zitting van de Raad als getuigen verschenen en onder ede gehoord:

[getuige 1], wonende te [woonplaats 2] en [getuige 2] wonende te [woonplaats 3] (Duitsland).

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat, gezien hetgeen in hoger beroep nog in geschil is, met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1 november 2000 als (burger)beveiligingsbeambte in tijdelijke dienst aangesteld bij het Regionaal Militair Commando Zuid van de Koninklijke Landmacht (KL) en als zodanig (onder meer) belast met het per dienstauto van de KL uitvoeren van patrouilles. Op 16 augustus 2001 is appellant als bestuurder van een dienstauto op rijksweg A2 betrokken geweest bij een aanrijding met de auto van E., met als gevolg lichte schade aan beide auto’s. Naar aanleiding van een melding door een getuige dat deze aanrijding het gevolg was van onverantwoord rijgedrag van appellant heeft de Koninklijke Marechaussee een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, waarbij appellant, E. en de in rubriek I genoemde getuigen zijn gehoord.

1.2. Na ontvangst van de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek heeft gedaagde een huishoudelijk onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft gedaagde bij besluit van 20 juni 2002 de tijdelijke aanstelling van appellant - welke aanstelling inmiddels was overgegaan in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd - beëindigd per 1 juli 2002. Gedaagde heeft dit besluit, na bezwaar, bij het thans bestreden besluit van 26 november 2002 gehandhaafd, met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag is bepaald op 1 augustus 2002.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad dat hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

3.1. Op grond van de gedingstukken, waaronder de processen verbaal van het verhoor van alle betrokkenen in het strafrechtelijk onderzoek, de verslagen van de hoorzitting van het huishoudelijk onderzoek en gehoord de verklaring van de ter zitting gehoorde getuigen, staat voor de Raad voldoende vast dat appellant zich op 16 augustus 2001, terwijl hij reed in een als zodanig herkenbare dienstauto van de KL, aan agressief rijgedrag heeft schuldig gemaakt en dat hij bij het inhalen en invoegen met de rechterachterkant van de dienstauto de linkervoorkant van de auto van E. heeft geraakt. Voor de Raad staat, gezien de verklaringen van E. en de getuige [getuige 2] omtrent hetgeen aan de aanrijding vooraf is gegaan, tevens voldoende vast dat appellant deze aanrijding had kunnen vermijden. De Raad acht de verklaring van deze getuige in deze overtuigend. Niet zonder belang is voorts dat appellant nadien ook door de politierechter is veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

3.2. Ter zitting is namens gedaagde nog aangevoerd dat van (burger)beveiligings-functionarissen zoals appellant een uiterste zelfbeheersing en terughoudendheid wordt geëist, aangezien de ervaring leert dat medewerkers van het Ministerie van Defensie veelvuldig aan allerlei provocaties blootstaan. Die noodzaak van zelfbeheersing geldt volgens gedaagde in het onderhavige geval te meer omdat de beveiligingsfunctionarissen bij de uitvoering van hun bewakingspatrouilles zijn uitgerust met een vuurwapen en handboeien. E. heeft tegenover de Koninklijke Marchaussee ook verklaard dat hij na de aanrijding en het uitstappen van appellant, diens verschijning en optreden als bedreigend heeft ervaren. Ook als E. zich (eveneens) aan hinderlijk rijgedrag heeft schuldig gemaakt en appellant heeft geprovoceerd, dan nog had appellant nooit op die provocaties mogen ingaan, aldus gedaagde.

3.3. De Raad onderschrijft dit standpunt van gedaagde.

Gezien al het vorenstaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde in het gebeuren op 16 augustus 2001 voldoende aanleiding heeft kunnen vinden om de tijdelijke aanstelling van appellant te beëindigen. Daaraan doet niet af dat het ging om een lichte aanrijding die slechts tot geringe schade aan beide auto’s heeft geleid.

3.4. De Raad onderschrijft ten slotte het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende aanleiding is om het bestreden besluit te vernietigen omdat gedaagde te lang zou hebben gewacht met het nemen van het ontslagbesluit. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde om tot een zorgvuldige feitenvaststelling te komen eerst de uitkomsten van het straf-rechtelijk onderzoek heeft afgewacht en vervolgens een huishoudelijk onderzoek heeft geëntameerd. In de tussentijd heeft gedaagde er geen misverstand over laten bestaan dat het incident hoog werd opgenomen en in de weg stond aan het verlenen van een vaste aanstelling.

4. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om appellant ontslag te verlenen uit zijn tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Het hoger beroep van appellant kan niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van

E. Blijleven-de Vries als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E. Blijleven-de Vries.

HD

03.01