Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
03/273 NABW en 03/274 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering gemaakte kosten aan bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 133

Uitspraak

03/273 NABW en 03/274 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegd-heid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2002, reg.nrs. 01/03222 ABW en 02/01660 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Deen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente

’s-Gravenhage.

II. MOTIVERING

Appellante ontving vanaf 16 december 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op basis van een door de Afdeling Bijzonder Onderzoek vanaf 10 november 2000 ingesteld onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 november 2000, heeft gedaagde bij besluiten van 30 november 2000 respectievelijk 6 december 2000 het recht van appellante op bijstand met ingang van 1 december 2000 beëindigd, respectievelijk over de periode van 16 december 1999 tot en met 30 november 2000 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [partner] (hierna: [partner]), de vader van haar op 16 september 1999 geboren kind. Tevens heeft gedaagde bij het laatstvermelde besluit de gemaakte kosten van bijstand over genoemde periode tot een bedrag van f 23.942,89 van appellante teruggevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 juli 2001 zijn de namens appellante tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de tegen de besluiten van 27 juli 2001 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de beëindiging en intrekking van de uitkering

Gedaagde heeft aan zijn besluiten ten grondslag gelegd dat appellante en [partner] sedert

16 december 1999 onafgebroken een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3 van de Abw.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [partner] een kind is geboren, is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw, voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding slechts van betekenis of zij in de periode hier in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, neergelegd in het rapport van 24 november 2000, een toereikende grondslag bieden voor de con-clusie dat appellante en [partner] ten tijde hier in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De Raad onderschrijft daarbij de daartoe door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gehanteerde overwegingen en maakt die tot de zijne. Daarmee staat vast dat ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw.

Door van de gezamenlijke huishouding bij gedaagde geen melding te maken, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Appellante kon derhalve ten tijde hier van belang niet als een zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gedaagde was dan ook gehouden om tot intrekking van het recht op bijstand van appellante over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

De Raad is niet gebleken dat op de datum van beëindiging van de uitkering

(1 december 2000) sprake was van andere omstandigheden dan in de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode, zodat de uitkering terecht is beëindigd.

De terugvordering

Met hetgeen hiervoor is overwogen, is gegeven dat over het tijdvak van 16 december 1999 tot en met 30 november 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uit-spraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terug-vordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet gebleken.

De Raad wijst er daarbij op dat de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene blijft beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Slotoverwegingen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) M. Pijper.

Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.

Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie te zenden aan de Hoge Raad der Nederlanden, Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage.

GdJ/111