Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
03/972 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Sondeerders (persoonlijke arbeid) en aandeelhouder (gezagsverhouding).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/972 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 11 december 1998 heeft gedaagde, beslissende op de daartegen door appellante ingediende bezwaarschriften, onder meer de aan appellante opgelegde correctie- en boetenota’s over de jaren 1991 en 1992 op nihil gesteld, de aan appellante opgelegde correctienota’s over de jaren 1993 tot en met 1995 gehandhaafd en de aan appellante opgelegde boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1995 gematigd tot 25% van de ambtshalve vastgestelde premies over die jaren.

De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 22 januari 2003, registratienummer 99/345, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, voorzover betrekking hebbende op de correctie- en boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1995.

Namens appellante is drs. J.H.J.G. Kouters, belastingadviseur te Nieuwegein, op bij aanvullend beroepschrift van 4 april 2003 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 mei 2003, ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 9 augustus 2004 de Raad nadere stukken doen toekomen.

Bij brief (met bijlagen) van 8 november 2004 zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november 2004, waar voor appellante zijn verschenen haar directeur [naam mededirecteur] en drs. Kouters, voornoemd, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft bij appellante die zich bezig houdt met sonderingswerkzaamheden en grondboringen ten behoeve van grond- en milieuonderzoek, premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten nageheven over de door haar in de jaren 1993 tot en met 1995 verrichte betalingen aan sondeerders en aan haar directeur [naam directeur]. Laatstgenoemde is op basis van een managementovereenkomst tussen zijn vennootschap [naam besloten vennootschap directeur]. en appellante werkzaam. Tevens heeft gedaagde appellante boetenota’s opgelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde gevolgd in zijn opvatting dat de arbeidsverhouding tussen appellante en de sondeerders moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Naar haar oordeel wordt aan alle hiervoor geldende voorwaarden voldaan. Op grond van de stukken is de rechtbank gebleken dat de sondeerders gehouden waren de werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Voorts ontvangen de sondeerders een bedrag per gewerkt uur. Met betrekking tot het bestaan van een gezagsverhouding heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen de te harer zitting afgelegde verklaring van [naam directeur], waaruit naar haar oordeel blijkt dat er zonder meer sprake is van controle en toezicht door hem op de werkzaamheden van de sondeerders.

[naam directeur] heeft onder meer verklaard dat hij altijd aanwezig is tijdens de werkzaamheden en dat hij regelt wat er gedaan moet worden. Met betrekking tot de verzekeringspositie van [naam directeur] heeft de rechtbank eveneens gedaagde gevolgd in zijn opvatting dat [naam directeur] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante werkzaam is. Hij is weliswaar aandeelhouder, doch hij heeft veel minder zeggenschap dan zijn mededirecteur

[naam mededirecteur].

In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Ten aanzien van de sondeerders moet mede gelet op de in eerste aanleg afgelegde verklaring van [naam directeur] worden aangenomen dat het appellante ging om de persoonlijke inzet van de betrokken sondeerders en dat deze zich niet konden laten vervangen door een willekeurige derde. Dat de sondeerders werden betaald op basis van een factuur van de vennootschap onder firma [naam v.o.f.], ontneemt aan de verrichte betalingen niet het karakter van loonbetalingen. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de door [naam directeur] afgelegde verklaring zonder meer wijst op werkgeversgezag. Ook ten aanzien van [naam directeur] is de Raad van oordeel dat hij zijn werkzaamheden voor appellante verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Mede gelet op de ter zijner zitting door [naam mededirecteur] geschetste achtergrond van de aandelenverhouding, stelt de Raad vast dat [naam directeur] als minderheidsaandeelhouder niet in een positie verkeert hem onwelgevallige besluiten tegen te houden.

Met betrekking tot het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel overweegt de Raad dat, voorzover al moet worden aangenomen dat de belastingdienst geen inhoudingsplicht aanwezig acht, zulks gedaagde niet bindt. De stelling van appellante dat de nageheven premies naar te hoge bedragen zijn vastgesteld, heeft zij onvoldoende met bewijzen gestaafd. Met betrekking tot de opgelegde boetenota’s is de Raad van oordeel dat appellante zich ervan bewust had moeten zijn dat zij premies over de verrichte betalingen was verschuldigd. De Raad merkt hierbij op dat gedaagde bij zijn besluit van 11 december 1998 er terecht op heeft gewezen dat met de term “opzet en/of grove schuld” niet wordt gedoeld op een handelen te kwader trouw.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.