Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
03/1415 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke of mondelinge afspraken over de bedragen die in mindering zijn gebracht op het bruto-loon in het kader van een PC-privé-regeling.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Coördinatiewet Sociale Verzekering 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/107
RSV 2005, 64

Uitspraak

03/1415 CSV (rectificatie)

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[de maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2003 met kenmerk 02/23.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2004, waar voor appellant is verschenen P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Linders, notaris.

II. MOTIVERING

Tussen partijen is in geschil of de bedragen die gedaagde in de jaren 1998 en 2000 in mindering heeft gebracht op het bruto-loon van een aantal van haar werknemers en die zijn gebruikt om aan deze werknemers een PC-configuratie ter beschikking te stellen in het kader van een PC-privé-regeling loon zijn in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder y, van de CSV, behoren niet tot het loon verstrekking en terbeschikkingstelling van computers en bijbehorende apparatuur, alsmede de vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde daarvan in het economische verkeer een bepaald bedrag niet te boven gaat en niet aannemelijk is dat zij niet mede dienen ter vervulling van de dienstbetrekking.

Ter uitvoering van deze bepaling heeft appellant het Besluit PC Privé van 30 september 1998 getroffen (Stcrt. 1998, 196), hierna: het Besluit. Artikel 2 van het Besluit bepaalt dat de eigen bijdrage van de werknemer in de vorm van een verlaging van het contractloon in het kader van een verstrekking van een personal computer en toebehoren door de werkgever niet als loon wordt aangemerkt. Het Besluit definieert het contractloon als “in een arbeidsovereenkomst vastgelegd loon”.

Appellant handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat het Besluit aldus de eis stelt dat bedoelde verlaging van het bruto-loon in een nieuwe arbeidsovereenkomst dan wel in een aanvulling op de bestaande overeenkomst schriftelijk tussen werkgever en werknemer overeengekomen wordt. De afspraken tussen werkgever en werknemer met betrekking tot de eigen bijdrage van de werknemer in de vorm van verlaging van het bruto-loon moeten duidelijk en verifieerbaar zijn vanwege de eventuele gevolgen voor het bruto-loon sociale verzekeringen, zowel voor de premie- als voor de uitkeringsgrondslag. De schriftelijke vastlegging moet volgens appellant plaatsvinden voordat aan de PC-privé-regeling uitvoering wordt gegeven. Appellant wijst op een besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 juli 1999 (nr. DB99/2355,V-N 1999, nr. 36 pag. 3280), dat mede namens appellant is genomen en waaruit blijkt dat, wil een verlaging van het bruto-loon voor de loonheffing geaccepteerd worden, de doorwerking van het lagere loon in de van het loon afhankelijke regelingen duidelijk vastgelegd dient te zijn. Daarbij wordt een verklaring van de werknemer verlangd waaruit blijkt dat hij de gevolgen van een lager bruto-loon voor de van dat loon afhankelijke regelingen aanvaardt. Appellant verwijst ook naar een uitspraak van deze Raad van 7 oktober 1999 (gepubliceerd in RSV 2000/12) waaruit blijkt dat de Raad accepteert dat een verlaging van het bruto-loon buiten de premieheffing blijft mits partijen de nieuwe arbeidsvoorwaarden duidelijk en verifieerbaar hebben vastgelegd.

Gedaagde heeft daartegen aangevoerd dat noch in de wet noch in het Besluit is voorgeschreven dat de onderhavige afspraken schriftelijk moeten worden vastgelegd. De uitdrukkelijke mondelinge afspraken vormen een voldoende vastlegging en zijn ook voldoende duidelijk en verifieerbaar. Subsidiair wijst gedaagde erop dat zij voor de werknemers die nog in dienst zijn bij gedaagde, alsnog in de bezwaarfase schriftelijke vastleggingen van de mondeling reeds eerder gemaakte, in de arbeidsovereenkomsten vastgelegde en in de loonadministratie verantwoorde afspraken heeft overgelegd. Er is daarbij geen sprake van terugwerkende kracht. Gedaagde beklemtoont voorts dat de maatschap alleen mondelinge arbeidsovereenkomsten met haar werknemers kent en dat alle loonafspraken met de werknemers mondeling worden gemaakt en niet op schrift zijn gesteld.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de volgende overwegingen:

"De rechtbank stelt allereerst verder vast dat verweerder aan eiseres niet heeft tegengeworpen dat eiseres niet is gebleven binnen het kader van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder y. Verder stelt de rechtbank vast dat op zichzelf is voldaan aan artikel 2 van het Besluit. De PC-privé regeling van eiseres voorziet immers in een eigen bijdrage van de werknemers in de vorm van een (incidentele) verlaging van het contractloon.

In de tekst van het Besluit valt de eis van een schriftelijke aanvullende arbeidsovereenkomst tot verlaging van het contractloon niet rechtstreeks te lezen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat dit reeds uit de definitie van contractloon voortvloeit. Die definitie zegt alleen iets over het contractloon zelf en niets over de vorm waarin een (incidentele) verlaging van het contractloon (artikel 2 van het Besluit) moet worden gegoten. Het Besluit is op dit punt derhalve op zijn minst onvoldoende duidelijk en dient derhalve te worden uitgelegd. Een (redelijke) uitleg van het Besluit dwingt niet tot het aannemen van de eis van schriftelijkheid als door verweerder aangenomen.

Als de eis van schriftelijkheid voor verweerder zo zwaarwegend is - deze wordt in dit geval zelfs doorslaggevend gevonden - dient deze met zoveel woorden in het Besluit te worden neergelegd. Nu dat niet is gedaan, behoort dat niet voor rekening van eiseres te komen.

Verweerder gaat er met eiseres van uit, dat eiseres telkens met de betrokken werknemer diens deelname aan de PC-privé regeling is overeengekomen, zij het mondeling. Verder moet uit het rapport van het vanwege verweerder verrichte loononderzoek worden afgeleid dat eiseres de uitvoering van de PC-privé regeling als zodanig in de financiële administratie heeft verantwoord.

Een en ander leidt tot de conclusie - die in wezen ook niet in geschil is - dat materieel gezien geen ruimte is voor het oordeel dat de eigen bijdrage van de werknemer als hiervoor bedoeld ten onrechte niet tot het loon is gerekend. Dat betekent dat ook geen sprake is van schending van de in artikel 10 van de CSV neergelegde loonopgaveverplichting.

Gelet op het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op onjuiste gronden is overgegaan tot het opleggen van correctienota’s over de jaren 1998 en 2000. Dat brengt mee dat ook de correctienota over 2001 niet mocht worden opgelegd. Bij het bestreden besluit zijn die nota’s derhalve ten onrechte gehandhaafd.".

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe geleid hebben. Daarbij tekent de Raad aan dat noch het beroep van appellant op genoemd besluit van de Staatssecretaris van Financiën noch het beroep op de uitspraak van de Raad tot een ander oordeel kunnen leiden, nu in deze zaak de toepassing van het Besluit in geding is. Daarbij acht de Raad van zwaarwegend belang dat de formulering van de tekst aan duidelijkheid te wensen overlaat, terwijl anderzijds materieel gezien gedaagde aan alle geldende voorschriften heeft voldaan.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending be-roep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen, ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering.