Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
03/4673 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de seksuele mishandeling door een Duitse soldaat acht verweerster het relaas omtrent de omstandigheden waaronder die plaatsvond dermate onduidelijk dat deze gebeurtenis niet onder de werking van de WUBO kan worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/4673 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 27 augustus 2003, kenmerk JZ/F60/2003/547, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres zijn daarna nog enkele stukken ingezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen eiseres en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad en een aantal soortgelijke gedingen van broers en een zuster van eiseres, behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2004.

Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel voornoemd, als haar gemachtigde. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden, na bezwaar genomen besluit heeft verweerster de aanvraag van eiseres, die geboren is in 1929 te Bussum als dochter van een moeder van zigeunerafkomst en een vader die woonwagenbewoner was, om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet afgewezen, op de grond dat onvoldoende is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Verweerster heeft daartoe in het bijzonder overwogen, dat niet kan worden aanvaard dat eiseres in Oudewater of in Bussum in een reële onderduiksituatie heeft verkeerd op grond van haar afkomst, nu blijkens de beschrijvingen ook ná de razzia’s van 16 mei 1944 sprake was van deelname aan het openbare leven. Verder heeft verweerster ten aanzien van de (seksuele) mishandeling van eiseres door een Duitse soldaat het relaas omtrent de omstandigheden waaronder die plaatsvond dermate onduidelijk gevonden dat zij meent dat de gebeurtenis niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. Voorts heeft verweerster de directe betrokkenheid van eiseres bij de ontploffing van een kettingbom tijdens een voedseltocht onvoldoende aannemelijk geoordeeld.

De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster verenigen.

Wat betreft de gestelde onderduik verwijst de Raad naar hetgeen hij terzake heeft overwogen in zijn uitspraak van heden in het geding tussen eiseres en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, nr. 03/ 4672 WUV.

Met betrekking tot de gestelde seksuele mishandeling door een Duitse soldaat is de Raad met verweerster van oordeel dat het relaas omtrent de omstandigheden waaronder die plaatsvond zo weinig omringende bijzonderheden vermeldt dat geheel niet duidelijk is dat er sprake is geweest van handelingen in een context als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Onder deze omstandigheden heeft verweerster, naar het oordeel van de Raad op goede gronden afgezien van nader (medisch) onderzoek naar deze gebeurtenis.

Ten aanzien van de gestelde ontploffing van een kettingbom, die volgens de beschrijving in een weiland viel, is niet kunnen blijken van een zodanige nabijheid of van zodanige gevolgen dat van een directe betrokkenheid in de zin van artikel 2 van de Wet gesproken zou kunnen worden.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.