Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
03/1334 CSV + 03/1428 CSV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AU6921
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet opnemen van primaire bescheiden in (loon-)administratie. Bestreden besluit deels gegrond verklaard. In toegezonden bijlage voldoende duidelijk aangegeven welke premiebedragen uiteindelijk dienden te worden voldaan.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering, geldigheid: 2005-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/1334 CSV

03/1428 CSV

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het bestuursorgaan.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen van de tussen partijen op 13 februari 2003 onder kenmerk 01/586 door de rechtbank Groningen gewezen uitspraak.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2004, waar namens belanghebbende zijn verschenen mr. L.E. Bindemann, belastingadviseur bij Mazars Paardekooper Hoffman te Amsterdam en mr. G.B. de Jong, advocaat te Roden, en het bestuursorgaan zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Ten tijde van belang werd door belanghebbende een horecabedrijf geëxploiteerd. In 1996 is bij belanghebbende een looncontrole gehouden. De bevindingen daarvan hebben aanleiding gegeven tot een strafrechtelijk onderzoek. In het kader van dat onderzoek zijn 135 getuigen gehoord, waaronder (ex-)werknemers van belanghebbende.

Het bestuursorgaan heeft een correctienota over 1993 ten laste van belanghebbende opgelegd. Daaraan ligt, kort gezegd, ten grondslag dat door belanghebbende geen deugdelijke (loon-)administratie is gevoerd, omdat daarin geen dag-, uren- en aftekenlijsten (zogenaamde primaire bescheiden) zijn opgenomen. Het bestuursorgaan heeft de door belanghebbende over 1993 verloonde bedragen, met voorbijgaan aan de opgaven van belanghebbende, geschat aan de hand van in het bijzonder de door de (ex-)werknemers van belanghebbende afgelegde verklaringen. Daarbij heeft het bestuursorgaan tevens toepassing gegeven aan artikel 3 van het Fooienbesluit, omdat belanghebbende niet steeds ten minste het minimumloon op grond van de CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf aan haar werknemers heeft uitbetaald.

Het bezwaar van belanghebbende is, voor zover thans nog van belang, bij het bestreden besluit van 29 mei 2001 deels gegrond verklaard, omdat de nageheven premies op onderdelen verlaagd dienden te worden. Deze verlagingen zijn per individuele werknemer op jaarbasis uitgewerkt in een bijlage bij het bestreden besluit. De Raad heeft geen reden tot twijfel dat deze bijlage, waarvan in het bestreden besluit gewag wordt gemaakt, en waarvan de ontvangst door de gemachtigde van belanghebbende in vergelijkbare zaken van zusterondernemingen buiten kijf staat, per gelijke post als het bestreden besluit aan belanghebbende is toegezonden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het verwijzen in het bestreden besluit van 29 mei 2001 naar de hiervoor bedoelde bijlage voor de financiële consequenties van de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaar zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu aldus een volledige heroverweging achterwege is gebleven. De rechtbank heeft evenwel tevens het beroep ten gronde beoordeeld en de overige door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden uitdrukkelijk verworpen en vervolgens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

Het hoger beroep van het bestuursorgaan richt zich tegen de gegrondverklaring van het beroep, de vernietiging van het bestreden besluit, en zijn veroordeling tot de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep van belanghebbende richt zich tegen de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt, nu naar het oordeel van de Raad met de hiervoor bedoelde gegrondverklaring van het bezwaar in het bestreden besluit tevens inhoudelijk op het bezwaarschrift is beslist in die zin dat, gelezen in samenhang met de aan belanghebbende toegezonden bijlage, voldoende duidelijk was welke premiebedragen uiteindelijk als resultaat van het bestreden besluit door belanghebbende dienden te worden voldaan. Hiermee doet zich een vergelijkbare situatie voor als in de zaak die de Raad met zijn uitspraak van 19 juni 2003, AB 2003, 321, heeft berecht.

De aangevallen uitspraak kan zodoende niet in stand blijven.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemers van belanghebbende werkten volgens een dienstrooster, waarop de werkdag en de begintijd was aangegeven. Het daadwerkelijk aantal gewerkte uren werd op daglijsten aangetekend, die werden verwerkt op een weeklijst. Aan de hand van deze weeklijsten werden de uit te betalen lonen vastgesteld en de loonzakjes gevuld. De lonen werden wekelijks betaald en voor de ontvangst ervan werd door de werknemers op de weeklijst een handtekening geplaatst (de aftekenlijsten). In de zusterondernemingen van belanghebbende gold een vergelijkbare procedure.

De door de getuigen opgegeven uurlonen en gewerkte uren zijn vergeleken met de door belanghebbende op de verzamelloonstaten verantwoorde lonen. Die analyse bevestigt dat in een aanzienlijk aantal gevallen telkens minder loon tegenover het bestuursorgaan is verantwoord dan in overeenstemming zou zijn met de verklaringen van de

(ex-)werknemers van belanghebbende. Dat belanghebbende te weinig loon op de jaaropgaven tegenover het bestuursorgaan heeft verantwoord, wordt door verschillende getuigen uitdrukkelijk bevestigd.

De Raad stelt op grond van het vorenstaande vast dat belanghebbende gedurende het hier van belang zijnde jaar op aanzienlijke schaal een deel van de door haar uitbetaalde lonen niet in haar (loon-)administratie heeft verantwoord. De door belanghebbende gevoerde (loon-)administratie vertoont daarmee zodanige tekortkomingen dat zij door het bestuursorgaan terecht als basis voor de berekening van de verschuldigde premies is verworpen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad staat het het bestuursorgaan onder dergelijke omstandigheden vrij om in verband met de niet verantwoorde loonbetalingen tot een aanvullende schatting van de verschuldigde premie over te gaan. Het bestuursorgaan is daarbij uitgegaan van de door de (ex-)werknemers van belanghebbende afgelegde verklaringen en heeft de daaruit naar voren komende gegevens geëxtrapoleerd.

Deze door het bestuursorgaan gehanteerde schattingsmethodiek acht de Raad niet onaanvaardbaar en hij ziet ook overigens geen redenen voor het buiten beschouwing laten van de, in bezwaar neerwaarts bijgestelde, uitkomsten van de schatting. Daartoe is in elk geval onvoldoende de enkele kans dat de schattingsresultaten hoger uitvallen dan het geval zou zijn geweest als belanghebbende zijn verplichting tot het voeren van een betrouwbare (loon-)administratie zou zijn nagekomen.

Dat de primaire bescheiden werden vernietigd vindt bevestiging in de door [getuige], en de directeuren c.q. administrateur van de zusterondernemingen van belanghebbende afgelegde verklaringen. Ook de door belanghebbende in eerste aanleg ingenomen proceshouding wijst hierop, nu zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd dat na het doorlopen van de betaalprocedure de dag-, uren- en aftekenlijsten hun functie hadden verloren en zij zich heeft beroepen op een met de Belastingdienst (voor één van haar zusterbedrijven) gemaakte afspraak dat deze primaire bescheiden slechts gedurende één maand behoefden te worden bewaard.

Als thans, zoals belanghebbende in het hoger beroep gemotiveerd heeft gesteld, als juist zou moeten worden aanvaard dat de primaire bescheiden desondanks bewaard zijn gebleven, dan nog zou, bij gebreke van een in opdracht van belanghebbende aan de hand van de die bescheiden uitgevoerd, voldoende betrouwbaar tegenonderzoek, die omstandigheid de Raad niet tot het oordeel leiden dat de resultaten van de schatting door het bestuursorgaan niet langer als juist kunnen worden aanvaard.

De verwijzing door belanghebbende naar de uitspraak van de Raad van 8 mei 2003, LJN AF8749, treft geen doel, nu het in die zaak ging om het door de Raad gebillijkte gebruik van, kort gezegd, een bij onderzoek aangetroffen schaduwadministratie, bestaande uit lijsten met daadwerkelijk gewerkte uren en loonbetalingen, terwijl de Raad in het onderhavige geding het er, naar hiervoor is overwogen, voor houdt dat dergelijke bescheiden door belanghebbende zijn vernietigd.

Het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002, nr. 36676 faalt, reeds omdat de door belanghebbende gevoerde administratie ernstige tekortkomingen vertoonde.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt.

De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get) W.J.M. Fleskens.