Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
02/4695 ALGEM + 02/4696 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomsten: 15% van de provisiebedragen aangemerkt als vergoeding voor autokosten. Autokostenvergoeding aangemerkt als premieplichting loon. Grove schuld. Matiging boetenota's: schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/4695 ALGEM

02/4696 ALGEM

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is door drs. J.A. Louwers, belastingadviseur te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 17 juli 2002 onder kenmerk 01/1062 en 01/2026 door de rechtbank Breda gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 november 2004, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante hield zich ten tijde van belang bezig met de import van en de handel in huishoudelijke reinigingsapparaten. Voor haar waren verkoopagenten werkzaam op provisiebasis. In de agentuurovereenkomsten was bepaald dat de agenten recht hadden op bepaalde provisiebedragen en dat appellante zou zorgen voor de afdracht van loonbelasting en premies sociale verzekeringen, waarbij 15% van de verkregen provisiebedragen werd aangemerkt als een vergoeding voor autokosten.

Bij besluiten van 28 december 1998 heeft gedaagde appellante correctienota’s doen toekomen betreffende de afrekening sociale verzekeringen voor de jaren 1993 tot en met 1997. De correcties hadden voor een deel betrekking op de autokostenvergoeding, die door gedaagde als premieloon is aangemerkt. Gedaagde heeft een verzuim geregistreerd en vervolgens bij besluiten van 16 en 23 maart 1999 boetenota’s over de jaren 1994 tot en met 1997 aan appellante doen toekomen. Het namens appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 14 mei 2001 ongegrond verklaard.

Voorts heeft gedaagde op 3 juli 2001 aan appellante een correctienota sociale verzekeringen voor het jaar 1998 toegezonden, op 4 juli 2001 gevolgd door een verzuimregistratie over het jaar 1998 en op 10 juli 2001 door een boetenota over het jaar 1998. Ook tegen deze beslissingen is namens appellante bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij zijn besluit van 31 oktober 2001 ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft de namens appellante tegen de besluiten van 14 mei 2001 en 31 oktober 2001 ingestelde beroepen gegrond verklaard en heeft de bestreden besluiten vernietigd en gedaagde, onder bepalingen omtrent proceskostenvergoeding en griffierecht, opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaarschriften van appellante.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de belastingdienst haar handelwijze met betrekking tot de autokostenvergoeding heeft geaccordeerd of gedoogd en dat de fiscus haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gehonoreerd en de naheffingsaanslag heeft verminderd. Zij is van mening dat om die reden de autokostenvergoeding niet (geheel) als premieplichtig loon kan worden aangemerkt. Om dezelfde reden kan volgens appellante geen sprake zijn van opzet of grove schuld en dient in elk geval de boeteoplegging te vervallen. Voorts heeft appellante haar stelling herhaald dat de boetes moeten komen te vervallen omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is overschreden.

De Raad overweegt als volgt.

Noch in het rapport van 9 november 1993 van de controleambtenaar van de belastingdienst P.Wiegeraad noch in het rapport van 14 augustus 1995 van diens collega G.C.P. Remie en evenmin in de brief van 13 april 2001van de inspecteur van de belastingdienst zijn naar het oordeel van de Raad aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de belastingdienst appellantes werkwijze inzake de autokostenvergoeding heeft goedgekeurd. Appellante is integendeel gewezen op haar verplichting een registratie per werknemer bij te houden van de daadwerkelijk gereden kilometers. Aan de omstandigheid dat de belastingdienst voor de jaren tot en met 1994 geen naheffings- aanslagen heeft opgelegd en voor de jaren daarna de naheffingsaanslagen heeft verminderd kan appellante niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat gedaagde niet tot premieheffing zou overgaan. Immers, nog afgezien van de mogelijkheid dat de dreigende betalingsonmacht van appellante een rol gespeeld heeft bij de beslissing van de belastingdienst de naheffing te verminderen, heeft gedaagde ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het vaststellen van premielonen, waarbij hij niet is gebonden aan hetgeen de fiscus in het kader van de loonheffing heeft vastgesteld.

De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat sprake is van grove schuld van de zijde van appellante, zeker nu appellante na het rapport van de belastingdienst van 1993 had behoren te weten dat de wijze waarop zij handelde met betrekking tot de autokostenvergoeding in strijd was met de wettelijke bepalingen.

Wat betreft het beroep van appellante op de overschrijding van de redelijke termijn is de Raad met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat dit beroep ten aanzien van de over het jaar 1998 opgelegde boetenota geen doel treft. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad anders ten aanzien van de over de jaren 1994 tot en met 1997 opgelegde boetenota’s. Na de brief van 29 januari 1999, waarmee de boetes door gedaagde werden aangekondigd, zijn inmiddels bijna zes jaren verstreken. De Raad is van oordeel dat deze termijn dermate lang is dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Gedaagde zal in een nieuw te nemen beslissing op bezwaar dienen te bezien tot welke gevolgen deze termijnoverschrijding moet leiden. De Raad acht in verband met de lengte van de totale procedure een matiging van de boete met 25% aangewezen. Daarnaast zal gedaagde zich moeten beraden over de vraag of het matigingsbeleid dat zijn rechtsvoorganger in de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 2000 heeft gevoerd tot nog verdergaande matiging aanleiding zou moeten geven.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) W.J.M. Fleskens.