Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2005
Datum publicatie
20-01-2005
Zaaknummer
01/263 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet of niet volledige loonopgave; feitelijke loonbetalingen aan chauffeurs niet of niet juist in de loonadministratie verwerkt. Overschrijding redelijke termijn van boetenota's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/263 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. R. van Daalen, werkzaam bij Accountants en Belastingadviseurs Berk te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2000, reg. nr. 98/5913.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 december 2004, waar voor appellante is verschenen mr. F.E. Melotte, kantoorgenoot van mr. van Daalen, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij appellante is in het kader van een bijzondere actie van het Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam (RIF) een looncontrole uitgevoerd, waarbij de administratie van appellante is onderzocht en diverse taxichauffeurs zijn gehoord. Naar aanleiding van de resultaten van deze controle, die zijn neergelegd in het looncontrolerapport van 26 september 1994, heeft gedaagde aan appellante correctie- en boetenota’s over de jaren 1992 en 1993 opgelegd. Deze correctienota’s heeft gedaagde bij besluit op bezwaar van 10 juli 1998 gehandhaafd, met dien verstande dat uitgegaan moet worden van minder diensten die per jaar op een volledig rooster worden gereden. Naar aanleiding hiervan zouden de correctie- en boetenota’s neerwaarts worden bijgesteld. Daarnaast heeft gedaagde de boetenota’s nader bepaald op 25% van het alsnog verschuldigde bedrag aan premie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank de conclusies van het RIF gevolgd, dat appellante met betrekking tot de jaren 1992 en 1993 niet of niet volledig heeft voldaan aan haar verplichting tot loonopgave en dat de feitelijke loonbetalingen aan chauffeurs niet of niet juist in de loonadministratie zijn verwerkt. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op basis van in processen-verbaal vastgelegde verklaringen van door haar bij naam genoemde (ex-)werknemers. De rechtbank acht het voorts juist dat gedaagde vanwege het ontbreken van een deugdelijke en betrouwbare boekhouding is overgegaan tot het schatten van het premieloon, welke schatting bovendien door de rechtbank als niet onredelijk is aangemerkt.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Primair stelt zij zich op het standpunt dat gedaagde ten onrechte in bezwaar geen gehoor heeft gegeven aan haar (herhaald) verzoek tot het overleggen van afschriften van processen-verbaal van verhoor met de daarin opgenomen verklaringen van (ex-)werknemers. Nu zij eerst in beroep bij de rechtbank de beschikking heeft gekregen over deze stukken, is zij - naar zij stelt - in haar processuele belangen geschaad. De verklaringen dienen naar het oordeel van appellante derhalve bij de beoordeling van appellantes loonadministratie buiten beschouwing te worden gelaten. Subsidiair is aangevoerd dat de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen onvoldoende basis bieden voor de conclusie dat de feitelijke loonbetalingen niet of niet juist zijn verantwoord in de loonadministratie. Tevens kan appellante zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij zijn schatting uit mocht gaan van een uitvalpercentage van 2% dat op het geschatte premieloon in mindering is gebracht.

De Raad stelt met appellante vast dat gedaagde in het kader van de bezwaarprocedure niet de aan het primaire besluit ten grondslag liggende processen-verbaal van verhoor aan appellante en haar gemachtigde ter beschikking heeft gesteld. Hieruit vloeit voort dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met de artikelen 6:17 en 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad is evenwel van oordeel dat appellante door dit verzuim niet op zodanige wijze in haar belangen is geschaad dat het besluit van 10 juli 1998 reeds op die grond zou moeten worden vernietigd. Daarbij overweegt de Raad allereerst dat niet in geschil is dat appellante en haar gemachtigde in bezwaar ten tijde van een onderhoud bij de belastingdienst kennis hebben genomen van een aantal van de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen, of ten minste delen daarvan. Dit onderhoud heeft er uiteindelijk toe geleid dat appellante met de belastingdienst tot een compromis is gekomen. De Raad is niet gebleken dat appellante toentertijd de juistheid van de inhoud van de verklaringen in twijfel heeft getrokken door deze bijvoorbeeld (ter nadere nuancering) aan haar (ex-)werknemers voor te leggen. De grief van appellante dat haar belangen zijn geschaad, omdat het vanwege het tijdsverloop thans niet meer mogelijk is om de juistheid van de verklaringen bij de (ex-)werknemers te verifiëren, kan - nog daargelaten dat de Raad niet is gebleken dat appellante daartoe enige poging heeft ondernomen - derhalve niet slagen. Daarenboven merkt de Raad op dat de gemachtigde van appellante, ook nadat hem ter zitting daarnaar is gevraagd, niet concreet heeft kunnen aangeven op welke punten de onderhavige verklaringen niet zouden stroken met de bij appellante bestaande feitelijke situatie ten tijde hier in geding.

De Raad kan zich voorts met het oordeel van de rechtbank verenigen dat de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] voldoende basis bieden om ten aanzien van appellante vast te stellen dat de aan de chauffeurs uitbetaalde lonen over de jaren 1992 en 1993 geheel of gedeeltelijk buiten de loonadministratie zijn gehouden en dat deze lonen niet juist of niet volledig aan gedaagde zijn opgegeven. Evenals de rechtbank maakt de Raad uit die verklaringen op dat bij appellante sprake was van een pachtsysteem en dat bij appellante rittenkaarten en strippenkaarten niet juist werden ingevuld. Nu uit het voorgaande kon worden opgemaakt dat bij appellante exacte en betrouwbare loongegevens ontbraken, mocht gedaagde de premies bij benadering vaststellen aan de hand van een schatting. De Raad is van oordeel dat gedaagde voldoende nauwkeurig en voldoende inzichtelijk het premieloon over de jaren 1992 en 1993 heeft geschat. Gedaagde heeft de premielonen over de jaren 1992 en 1993 berekend aan de hand van het aan appellante uitgegeven rooster dat ten tijde hier in geding voorzag in 152 diensten per 12 weken. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde bij zijn schatting uit mocht gaan van een zogenoemd uitvalpercentage van 2%. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waarmee haar stelling dat dit percentage onjuist zou zijn, kan worden gestaafd. De verklaring van de algemeen directeur van de Taxicentrale Amsterdam B.V., [naam directeur], van 10 maart 1998 biedt ook geen steun aan die opvatting nu uit die verklaring slechts blijkt dat er voor appellante geen verplichting bestond om alle diensten van het rooster ook daadwerkelijk te rijden. Daarvan is gedaagde, gelet op het uitvalpercentage, ook niet uitgegaan. De Raad merkt nog op dat een te hoge schatting bij het ontbreken van een juiste administratie geheel voor risico van appellante komt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank terecht het besluit van 10 juli 1998 heeft gehandhaafd voorzover het de correctienota’s over de jaren 1992 en 1993 betreft.

Wat het beroep van gedaagde op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) betreft, is de Raad van oordeel dat dit beroep ten aanzien van de opgelegde boetenota’s doel treft. De Raad stelt vast dat na de brief van 12 januari 1995, waarmee de boetenota’s door gedaagde werden aangekondigd, inmiddels al bijna tien jaren zijn verstreken. De Raad is van oordeel dat deze termijn dermate lang is dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad vindt hierin aanleiding om de opgelegde boetes op nihil te stellen.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,--in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 juli 1998 voorzover dat betrekking heeft op de boetenota’s over de jaren 1992 en 1993;

Bepaalt dat de opgelegde boetes op nihil worden gesteld;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 496,89 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van

mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.