Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS3264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
03/5952 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden en er geen feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen die in de situatie van betrokkene tot verminderde verwijtbaarheid leiden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5952 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. A.M.G. de Groot, advocaat te Huizen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 30 oktober 2003, nr. AWB 02/4612 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 2004, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante werkte sinds 21 oktober 1998 in de functie van front desk agent bij [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat appellante zich naar de mening van de werkgever op 12 september 2001 op zeer provocerende wijze op het werk heeft uitgelaten over de terreuraanslagen in New York de dag ervoor, is appellante die dag op non-actief gesteld.

Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 december 2001 de arbeidsovereenkomst met ingang van 5 januari 2002 ontbonden op grond van verandering van omstandigheden. Daarbij is, rekening houdend met het feit dat de verstoring tot de risicosfeer van zowel de werkgever als de werknemer behoorde, onder toepassing van een correctiefactor van ½ op de kantonrechtersformule aan appellante een vergoeding toegekend.

Appellante heeft op 9 mei 2002 bij gedaagde een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 11 juni 2002 heeft gedaagde de uitkering met ingang van 9 mei 2002 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en er geen feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen die in de situatie van appellante tot verminderde verwijtbaarheid leiden. Daartoe is overwogen dat appellante zich bij haar werkgever zo heeft gedragen dat zij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Dat gedrag bestond eruit dat zij op de ochtend van 12 september 2001 door haar bijdrage aan de discussie op de werkvloer na de terreuraanslagen in New York er rekening mee had kunnen houden dat dit tot verstoring van de verhoudingen op het werk kon leiden. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 13 september 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat gedaagde bij de beantwoording van de vraag of de werkloosheid van appellante verwijtbaar is te achten, mocht uitgaan van hetgeen door de kantonrechter is vastgesteld, te weten dat het gezien de ontstane commotie minder aannemelijk is dat appellante in de discussie uitsluitend heeft gewezen op de volgens haar onevenredige aandacht voor de aanslagen en dat appellante er rekening mee had moeten houden dat haar uitingen tot verstoring van de werkverhoudingen zouden kunnen leiden. Voorts heeft gedaagde het bestreden besluit gebaseerd op een viertal onderliggende, naar het oordeel van de rechtbank eenduidige en consistente verklaringen van collegae en van de direct leidinggevende van appellante. Uit die verklaringen blijkt dat deze directe collegae zeer onthutst en verbolgen waren over de uitlatingen van appellante, die zij als stuitend hebben ervaren en dat samenwerking met appellante in de toekomst door hen niet meer mogelijk wordt geacht, terwijl appellante haar stelling dat zij in het geheel geen bijval heeft betuigd aan de aanslagen van 11 september 2001 en derhalve geen negatieve invloed op de werkverhoudingen heeft gehad op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat appellante haar gedrag in overwegende mate kan worden verweten, hetgeen impliceert dat er voor gedaagde evenmin reden was de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de WW te matigen, terwijl evenmin is gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde had moeten afzien van de opgelegde maatregel.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat een onjuiste uitleg is gegeven aan de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter die de verstoring tot de risicosfeer van zowel werknemer als werkgever heeft gerekend en die in dit kader een vergoeding aan appellante heeft toegekend. Aan de overgelegde verklaringen van de collegae van appellante komt volgens appellante geen bewijskracht toe. Voorts wordt gewezen op een collega die tegelijkertijd met haar werd ontslagen en aan wie -naar appellante heeft begrepen- wel een WW-uitkering is toegekend, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht het standpunt van gedaagde heeft onderschreven dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daaraan het volgende toe.

In de voorhanden gedingstukken, waaronder de brief van de werkgever aan appellante van 21 september 2001 waarin zij op de consequenties van haar gedrag is gewezen en de stukken die in het kader van de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter zijn overgelegd, alsmede in diens beschikking en de verklaringen van de leidinggevende en de collegae van appellante, ziet de Raad voldoende substraat om het gedrag van appellante zodanig verwijtbaar te achten dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van haar dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben en dat appellante mitsdien verwijtbaar werkloos is geworden. Voor zover de juistheid van de gegevens waarop het bestreden besluit is gebaseerd door appellante in twijfel wordt getrokken, had het op de weg van appellante gelegen met andersluidende gegevens en verklaringen haar standpunt te onderbouwen, hetgeen niet is geschied.

Het beroep van appellante op schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat een collega die tegelijk met haar is ontslagen wel voor een uitkering in aanmerking zou zijn gebracht, is niet met enig verifieerbaar gegeven onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.