Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS2126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
03/3313 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Om gezondheidsredenen niet aanvaarden van aangeboden voltijdse arbeid. Opleggen maatregel. Belastend besluit. Achterwege laten van medisch onderzoek. Onderzoeksplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 14, geldigheid: 2005-01-11
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz 3, geldigheid: 2005-01-11
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz 4, geldigheid: 2005-01-11
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz 5, geldigheid: 2005-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 77

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/3313 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 juni 2003, reg.nr. 02/1011 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2004, waar voor appellante mr. Stam is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.C. Maassen van den Brink-Jager, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 juli 1999 van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op verzoek van gedaagde heeft de consulent van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie S. Schutte in mei 2001 en in juli 2001 omtrent appellante gerapporteerd. In beide rapporten is geconcludeerd tot indeling in fase 4 omdat vooralsnog geen arbeidsmarkt instrumenten inzetbaar waren in verband met bij appellante bestaande knelpunten. Appellante is vervolgens aangemeld voor een dienstbetrekking in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) op de grond dat zij aangewezen was op een begeleide werkplek.

In november 2001 is appellante de functie van medewerkster verzorging in een instelling voor verstandelijk gehandicapten aangeboden voor 36 uur per week. Appellante heeft dit aanbod afgewezen op de grond dat zij in verband met haar gezondheidstoestand niet op korte termijn gedurende 36 uur per week kon werken. De directeur van de Stichting Start Werk beëindigde daarop de uitvoering van het inpassingsplan van appellante, omdat plaatsing van appellante in het kader van de Wiw niet haalbaar werd geacht; hij adviseerde als volgt:

" Sanctiemogelijkheden gebruiken. Een eventueel toekomstige wiw-aanmelding/-plaatsing zal alleen kunnen plaatsvinden met een voorafgaande stage. Betrokkene zal eerst moeten laten zien dat zij werkelijk in staat en bereid is om een arbeidsovereenkomst aan te gaan.".

Bij besluit van 17 december 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante gedurende één maand, ingaande 1 december 2001, geheel geweigerd. Gedaagde heeft deze maatregel opgelegd op de grond dat appellante geweigerd heeft de haar aangeboden en als passend aan te merken dienstbetrekking bij Stichting Start Werk in het kader van de Wiw te aanvaarden.

Bij besluit van 30 mei 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 17 december 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 mei 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat het niet intern bij de zorginstelling kunnen wonen de reden van de werkweigering was en niet haar medische toestand op dat moment.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aan de maatregel is ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 14 van de Abw en in de artikelen 3, aanhef en onder 4, onder a, en 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Partijen verschillen met name van mening over de vraag of sprake is geweest van het niet aanvaarden van passende arbeid. Ingevolge artikel 113, tweede lid, van de Abw wordt - voorzover hier van belang - onder passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

De Raad stelt eerst vast dat gedaagde niet heeft onderzocht of de door de Stichting Start Werk aangeboden voltijdse arbeid als medewerkster verzorging in een instelling voor verstandelijk gehandicapten in het kader van de Wiw als passend in de zin van artikel 113, tweede lid, van de Abw voor appellante kon worden aangemerkt. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen is de door appellante opgegeven reden voor het niet aanvaarden van de aangeboden arbeid dat zij om gezondheidsredenen (nog) niet in staat was om die arbeid gedurende een volledige werkweek te verrichten. Appellante heeft dit kenbaar gemaakt in het bezwaarschrift. Zij heeft daarbij vermeld dat zij geruime tijd met benauwdheid en hoofdpijn kampte, aan astma leed en in een ongeschikte (te vochtige) woning woonde. Zij heeft haar opvatting in beroep nader onderbouwd met medische gegevens van haar huisarts en met een advies van de Medische Sociale Indicatie Commissie van 24 april 2001. Voorts heeft zij verwezen naar de inhoud van een na het besluit op bezwaar op verzoek van gedaagde uitgebracht arbeidsmedisch rapport van

30 augustus 2002.

Met appellante is de Raad van oordeel dat, gelet op de aard van de naar voren gebrachte bezwaren, in dit geval nader medisch onderzoek vanwege gedaagde naar de vraag of de aangeboden arbeid al dan niet passend was, niet achterwege had mogen blijven. Anders dan gedaagde in het verweerschrift van 10 december 2002 heeft gesteld, geldt niet dat het aan appellante is om aan te tonen dat er sprake is van een door een arts geconstateerde ziekte, wanneer zij meent wegens ziekte niet in staat te zijn om een aangeboden functie te aanvaarden. Het gaat hier immers om een voor appellante belastend besluit, zodat op gedaagde de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid om tot het opleggen van een maatregel over te gaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat op grond van de bij het nemen van het besluit op bezwaar ter beschikking staande gegevens bepaald onduidelijk was of appellante uit medisch oogpunt bezien naar objectieve maatstaven gemeten vanaf

1 december 2001 in staat kon worden geacht de betreffende arbeid gedurende 36 uur per week te verrichten. Die onduidelijkheid is niet opgeheven met de door appellante ingebrachte gegevens van haar huisarts en het hiervoor genoemde rapport van 30 augustus 2002. Uit laatstgenoemd rapport blijkt wel dat bij appellante sprake is van lichamelijke en psychische arbeidsbeperkingen; het daarin voorgestelde psychodiagnostisch onderzoek en capaciteitenonderzoek heeft, zo is ter zitting meegedeeld, niet plaatsgevonden.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 30 mei 2002 gegrond verklaren, dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door gedaagde noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door de besluiten van 17 december 2001 en 30 mei 2002 geleden renteschade. Gedaagde zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

Ingevolge artikel III van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, Stb. 2002, 55, blijft artikel 8:75 van de Awb, zoals dit luidde vóór 12 maart 2002 (het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet), van toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt voor die datum is genomen. Dat is hier het geval, zodat de sedertdien bestaande wettelijke voorziening inzake veroordeling tot vergoeding van kosten van bezwaar hier niet van toepassing is. Voor de door appellante gevorderde vergoeding van kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt geldt ingevolge vaste rechtspraak van de Raad dat deze in beginsel voor rekening van de betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding - op grond van artikel 8:73 van de Awb - in aanmerking kunnen komen. Gesteld noch gebleken is dat hier van een dergelijk bijzonder geval sprake is. Met name valt niet in te zien dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd zou moeten worden dat gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Met betrekking tot de door appellante gevorderde vergoeding van de eigen bijdrage uit hoofde van de verleende toevoeging overweegt de Raad dat in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.

Voor een veroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand ziet de Raad ten slotte wel aanleiding. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 mei 2002;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van Raad is overwogen;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de kosten in bezwaar af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Apeldoorn aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Apeldoorn aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2005.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R. van den Munckhof.

JK/30124