Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS2062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
11-01-2005
Zaaknummer
03/5881 NABW + 03/5882 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering gemaakte kosten aan bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/5881 NABW + 03/5882 NABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellanten hebben, afzonderlijk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 november 2003, reg.nrs. 02/1837 en 02/1838 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2004, waar appellanten niet zijn verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E. Tanamal, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende.

Gedaagde heeft de aan appellante verleende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 23 november 2000 beëindigd, nadat uit een onderzoek van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Arbeid van de gemeente Arnhem (waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 5 december 2002) was gebleken dat appellante samenwoonde met appellant. De president van de rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 13 juli 2001 het door appellante tegen de beëindiging ingestelde beroep ongegrond verklaard, welke uitspraak bij uitspraak van de Raad van 27 januari 2004 is bevestigd.

De resultaten van het hiervoor bedoelde onderzoek zijn voor gedaagde voorts aanleiding geweest om bij besluit van

19 december 2001 het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 januari 1997 in te trekken en de over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 2000 voor appellante gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 19 december 2001 heeft gedaagde deze kosten mede teruggevorderd van appellant. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoek is gebleken dat appellante gedurende deze periode op haar adres een gezamenlijke huishouding in de zin van de Abw heeft gevoerd met appellant, dat daarvan door haar geen melding is gemaakt aan gedaagde en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand aan haar is verstrekt.

De door appellanten tegen de besluiten van 19 december 2001 gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van

30 juli 2002 in zoverre gegrond verklaard, dat de intrekking en de (mede)terugvordering worden beperkt tot de periode van

7 april 1999 tot en met 30 november 2000 en het bedrag van de (mede)terugvordering nader is vastgesteld op € 22.350,77 bruto.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 30 juli 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad is, met de rechtbank en gedaagde, van oordeel dat het rapport van 5 december 2000 een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellanten gedurende de - gehele - periode van 7 april 1999 tot en met 30 november 2000 in dezelfde woning hun hoofdverblijf hadden en dat tevens sprake is geweest van wederzijdse zorg. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. Appellante heeft van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant geen mededeling aan gedaagde gedaan, zodat zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Nu appellante een gezamenlijke huishouding voerde en derhalve geen zelfstandig subject van bijstand was, is als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte bijstand aan haar verleend. In dit verband wijst de Raad erop dat de rechtbank ten onrechte - in het kader van de intrekking van het recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande - betekenis heeft toegekend aan het, vaststaande, feit dat appellant een inkomen ontving dat hoger was dan de bijstandsnorm voor gehuwden.

Gedaagde was dan ook op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden het recht op bijstand van appellante over de in geding zijnde periode in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de in geding zijnde periode is voldaan aan de voorwaarden voor terug- vordering van appellante met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw van de ten onrechte voor haar gemaakte kosten van bijstand, zodat gedaagde gehouden was ook daartoe over te gaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen staat voorts vast dat appellant in de in geding zijnde periode met appellante een gezamenlijke huishouding voerde, zodat appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante rekening had moeten worden gehouden. Tevens staat op grond van het hiervoor overwogene vast dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven, omdat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Gedaagde was derhalve gehouden daartoe eveneens over te gaan.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank naar aanleiding van de desbetreffende beroepsgrond en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat niet is gebleken dat gedaagde het - gebruteerde - (mede) terug te vorderen bedrag onjuist heeft vastgesteld.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van (mede)terugvordering af te zien, is ten slotte evenmin gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.