Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:BE9158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
00/812 WAOCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank had het beroep mede gericht moeten achten tegen een besluit van 02-08-1996. De omstandigheid dat dit besluit reeds een paar dagen voordat betrokkene beroep instelde is genomen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/812 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder werknemersverzekeringen juncto artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, wat betreft de overeenkomstige toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de Wet privatisering ABP (WPA), met ingang van 1 januari 1998 in de plaats is getreden van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv en het bestuur van het FAOP.

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 december 1999, nummer AWB 96/4419 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Een verzoek van appellants gemachtigde een getuige op te roepen voor de hierna genoemde zitting, is door de Raad niet gehonoreerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.H.A.J. Kleine, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant was als leraar werkzaam op twee scholen, toen hij in augustus 1992 zijn werkzaamheden in verband met ziekte moest staken. Nadat appellant een bypassoperatie had ondergaan, heeft zich eind 1993 een virusinfectie ontwikkeld, die tot de amputatie van zijn onderbeen heeft geleid. Appellant heeft zich sedertdien steeds op het standpunt gesteld dat hij in staat was zijn werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten en vervolgens uit te bouwen naar een volledige functievervulling.

Bij besluiten van 21 november 1994 is aan elk van appellants werkgevers met ingang van 30 juli 1992 in verband met appellants arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluiten van dezelfde datum is deze uitkering met ingang van 17 juni 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 23 januari 1996 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hem in verband met de inwerkingtreding van de WPA per 1 januari 1996 met ingang van die datum een WAO-conforme uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

In april/mei 1996 is een drietal besluiten genomen met betrekking tot de aan appellants werkgevers in verband met appellants arbeidsongeschiktheid toegekende AAW-uitkering. Laatstelijk is deze uitkering bij besluiten van 1 mei 1996 met ingang van 15 juli 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij beslissing op bezwaar van 26 juni 1996 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 23 januari 1996 ongegrond verklaard. Appellant is tegen dat besluit in beroep gekomen, stellende dat hij op 1 januari 1996 niet arbeidsongeschikt was. Hij heeft daarbij een besluit van gedaagde van 2 augustus 1996 overgelegd. Bij dit besluit heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Blijkens het begeleidende schrijven van dezelfde datum is hiermee gedaagdes besluit van 26 juni 1996 vervallen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het besluit van 26 juni 1996 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat op grond van de besluiten van 21 november 1994 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid sedert 17 juni 1994 – en ook op 31 december 1995 – 45 tot 55% bedroeg, zodat hem op grond van artikel 39 van de WAP (bedoeld zal zijn: de WPA) terecht per 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering naar dat percentage is toegekend.

Ook in hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte een WAO-conforme uitkering is toegekend, nu hij op 1 januari 1996 niet arbeidsongeschikt was.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt hij vast dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 26 juni 1996 aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen. Ten tijde van het instellen van appellants beroep was dit besluit reeds ingetrokken en vervangen door gedaagdes besluit van 2 augustus 1996. De rechtbank had dan ook moeten volstaan met de vaststelling dat appellants (uitdrukkelijk tegen dat besluit gerichte) beroep niet-ontvankelijk was nu een belang bij de beoordeling van dat reeds ingetrokken besluit ontbrak.

Appellant heeft bij zijn beroepschrift onder andere gedaagdes besluit van 2 augustus 1996 overgelegd. Hoewel dit besluit een bezwaarclausule bevat, moet worden geoordeeld dat dit in de plaats is gekomen van de beslissing op bezwaar van 26 juni 1996. Nu appellant in het geheel geen uitkering wenst, moet voorts worden vastgesteld dat de door hem tot uitdrukking gebrachte grieven evenzeer dit besluit raken. Onder analoge toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, had de rechtbank naar het oordeel van de Raad appellants beroep mede gericht moeten achten tegen het besluit van 2 augustus 1996. De omstandigheid dat dit besluit reeds een paar dagen voordat appellant zijn beroep instelde is genomen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft het besluit van 2 augustus 1996 derhalve ten onrechte niet beoordeeld.

Gezien het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en dient deze te worden vernietigd. Nu de Raad voldoende gegevens ter beschikking staan om tot een eindoordeel te komen, ziet hij geen aanleiding de zaak naar de rechtbank terug te wijzen.

Het besluit van 2 augustus 1996 bevat de handhaving van de toekenning van een WAO-conforme uitkering op grond van artikel 39 van de WPA. In zijn uitspraak van 5 juni 2003, LJN AI1581, heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat bij de toekenning van een WAO-conforme uitkering op grond van artikel 37 van de WPA moet worden uitgegaan van de voor de betrokkene op 31 december 1995 geldende mate van (in dat geval:) algemene invaliditeit en dat een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling niet aan de orde is. De Raad ziet geen aanleiding voor de toekenning van een WAO-conforme uitkering op grond van artikel 39 van de WPA tot een ander oordeel te komen. Gedaagde is bij de toekenning van appellants uitkering derhalve terecht uitgegaan van de voor hem op 31 december 1995 geldende mate van arbeidsongeschiktheid, te weten het bij het besluit van 1 mei 1996 vastgestelde percentage van 55 tot 65%. Het beroep tegen het besluit van 2 augustus 1996 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 1996 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 augustus 1996 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. vermeulen.

RG