Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AZ3174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
30-11-2006
Zaaknummer
03/31 WW, 03/287 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding indienen hoger beroepschrift. Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/31 WW, 03/287 WW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposanten], wonende te ‘s-Gravenhage, opposanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van de Raad van 21 mei 2003 is het door opposanten ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 oktober 2002, nr. 02/70 WW, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben opposanten een verzetschrift ingediend.

Het verzet is nader aangevuld door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ’s-Gravenhage.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 25 februari 2004. Opposanten hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt en geopposeerde heeft, zoals tevoren bericht, zich niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De uitspraak van de Raad van 21 mei 2003 steunt kort samengevat hierop, dat het hoger beroepschrift niet binnen de termijn van zes weken na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank is ingediend.

In dit geding is de vraag aan de orde of de Raad opposanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun hoger beroep.

In de uitspraak van de Raad van 21 mei 2003 heeft de Raad onder meer tot uitdrukking gebracht dat er redenen waren om te twijfelen aan de authenticiteit van het door opposanten ingebrachte bewijs met betrekking tot de aangetekende verzending aangezien een ongebruikelijk formulier was gehanteerd, dat formulier niet was afgestempeld en een naam van een behandelend medewerker ontbrak. Uit de door mr. Duijsens voormeld ingebrachte stukken is het de Raad thans echter gebleken dat het hoger beroepschrift op 10 december 2002 ter post is aangeboden teneinde dit stuk aangetekend te laten verzenden. Uit die stukken blijkt dat de aangetekende verzending meer dan drie weken in beslag heeft genomen en dat het beroepschrift eerst op 6 januari 2003 aan de Raad is aangeboden. Uit de stukken blijkt tevens dat TPG Post voor de duur van de verzending geen verklaring heeft.

Op grond van artikel 6:9, tweede lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De Raad stelt vast dat het hoger beroepschrift meer dan een week na de afloop van de termijn is ontvangen. De Raad dient derhalve de vraag te beantwoorden of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. De Raad is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Opposanten hebben op de voorlaatste dag van de termijn het beroepschrift aangeboden ter post. Het risico voor de gevolgen van een vertraging in de bezorging dient dan voor hun rekening te komen. Dat TPG Post geen verklaring voor die vertraging heeft, maakt dat niet anders.

Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.