Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AS8339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
01-03-2005
Zaaknummer
01/2377 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. In beroep heeft appellante de ‘halvering’ van het maatmaninkomen aangevochten. Is appellante terecht van mening dat deze vaststelling in strijd is met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2377 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond, op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van rechtbank Roermond van 13 maart 2001, nummer 684 WAO K1, waarnaar hierbij zij verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 november 2003, waar voor appellante is verschenen mr. Berden, kantoorgenoot van mr. Saes, terwijl voor gedaagde is verschenen J. Huijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Appellante, die is geboren op 27 maart 1955, heeft van 16 september 1998 tot

9 november 1998 en van 30 november 1998 tot 26 februari 1999 gewerkt voor Manpower Uitzendorganisatie als orderpikster bij Danzas te Venlo. Voordien had appellante nimmer buitenshuis betaalde arbeid verricht. Appellante is op laatstgenoemde datum uitgevallen wegens arm-, nek-, oog- en rugklachten. Na ontvangst van informatie van de behandelend neuroloog E.H. Koppejan en cardioloog dr. A.V.J. Mattart concludeert gedaagdes verzekeringsarts B.G.M. Simons, blijkens een rapportage van 13 december 1999, dat appellante voor halve dagen belastbaar is met beperkingen voor zwaardere locomotoire, energetische en psychomentale belastingen. De arbeidsdeskundige A.C.E. Willems concludeert vervolgens, op basis van een theoretische schatting, tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Willems is daarbij uitgegaan van een maatmaninkomen van f 17,82 per uur. Bij besluit van 9 februari 2000 wordt aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Het bezwaar van appellante van 17 maart 2000 is gericht tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Appellante is van mening dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Gesteld wordt onder meer dat zij de geselecteerde functies, gezien haar ziekte, niet kan vervullen. Tijdens de hoorzitting wordt door appellante aangegeven dat zij onder behandeling is van de psychiater Vanmolkot en begeleid wordt door de psycholoog Steger. Aan de bezwaarverzekeringsarts wordt door appellante een brief van Steger overlegd. Naar aanleiding van telefonisch ontvangen informatie van Steger, concludeert de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen dat er op de datum in geding geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden waren. En verder dat reeds bij aanvang van de werkzaamheden beperkingen van psychische aard bestonden, waarbij een arbeidsbelasting van 20 uur per week het maximaal haalbare was.

Op basis van deze medische gegevens heeft gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellantes maatmaninkomen onjuist is vastgesteld. Uitgaande van de verdiencapaciteit bij aanvang van de verzekering, en deze is maatgevend, bedraagt het maatmaninkomen naar het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige 50% van het wettelijk minimumloon.

Bij besluit van 26 juni 2000, het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar gegrond verklaard. De mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, 25 februari 2000, wordt, onder verwijzing naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts Tjen, vastgesteld op 80 tot 100%. Opgemerkt wordt dat het maatmaninkomen niet correct is vastgesteld. De rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kurten, waarin wordt geconcludeerd dat het maatmaninkomen 50% van het wettelijk minimumloon bedraagt, is bijgevoegd.

In beroep heeft appellante de ‘halvering’ van het maatmaninkomen aangevochten. Deze vaststelling wordt in strijd geacht met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Ook anderszins acht appellante deze beslissing niet draagkrachtig gemotiveerd.

In verweer is door gedaagde onder meer opgemerkt dat het standpunt met betrekking tot het maatmaninkomen aanleiding is geweest om het aan de uitkering ten grondslag liggende dagloon te corrigeren. Bij primair besluit van 2 juli 2000 is het dagloon met ingang van 1 augustus 2000 vastgesteld op f 73,15 per dag.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage niet aangevochten. Appellantes grieven richten zich tegen de overweging in het bestreden besluit met betrekking tot het maatmaninkomen. Het maatmaninkomen dient volgens appellante te worden gebaseerd op een belastbaarheid van 100%.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad zal, nu het beroep van appellante in eerste aanleg geen betrekking had op de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, maar op de in het bestreden besluit opgenomen overweging inzake het maatmaninkomen, eerst nagaan of de rechter in eerste aanleg het beroep met recht ontvankelijk heeft geoordeeld.

Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. Tussen partijen is niet in geschil dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid door gedaagde met juistheid is vastgesteld op 80 tot 100%. De in het bestreden besluit opgenomen overweging met betrekking tot de onjuistheid, in het primaire besluit, van appellantes maatmaninkomen, kan daar niet aan afdoen. In zoverre heeft appellante bij haar beroep dan ook geen belang. De Raad voegt daaraan toe dat, met het oog op de vaststelling van het dagloon of eventuele toekomstige beslissingen omtrent appellantes mate van arbeidsongeschiktheid, aan de in de bestreden beslissing opgenomen opmerking met betrekking tot het maatmaninkomen geen betekenis toekomt. Vaste rechtspraak van de Raad is immers dat bij zo’n toekomstige beslissing het aan die beslissing ten grondslag gelegde maatmaninkomen volledig in rechte kan worden getoetst.

De Raad concludeert dat het door appellante het in eerste aanleg ingestelde beroep, wegens het ontbreken van (voldoende) processueel belang, door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard had dienen te worden. De uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van appellante ongegrond is verklaard, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte griffierecht van € 77,14 wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

RG