Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
23-12-2004
Zaaknummer
03/89 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste medische onderbouwing van het WAO-besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/89 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank’s-Hertogenbosch onder dagtekening 28 november 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 01/2337 WAO.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2004, waar appellant met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. Y. Derksen, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, die na beëindiging van de door hem gedurende het tijdvak van 15 november 1999 tot 1 februari 2000 via een uitzendbureau verrichte werkzaamheden als slachterijmedewerker een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet van gedaagde heeft ontvangen, heeft zich vanuit die uitkeringssituatie met ingang van 25 april 2000 bij gedaagde ziek gemeld wegens diverse klachten, onder meer been- en rugklachten.

Bij besluit van 23 april 2001 heeft gedaagde geweigerd om appellant met ingang van 24 april 2001, de dag volgend op de periode waarin hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, in aanmerking te brengen voor de door hem verzochte uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Gedaagde heeft daarbij overwogen dat appellant op 1 november 1999 verzekerd is geraakt voor de WAO, dat hij op dat moment reeds verminderd arbeids- geschikt was en dat hij, rekening houdend met zijn beperkingen, op de datum in geding in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten waarmee hij ten opzichte van de op 1 november 1999 nog bestaande verdiencapaciteit een verlies aan verdiencapaciteit lijdt van minder dan 15%.

Naar aanleiding van het tegen evenvermeld besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde een nader arbeidskundig en verzekeringsgeneeskundig onderzoek ingesteld. Hierbij is door de arbeidsdeskundige onder meer geconcludeerd dat de datum waarop appellant laatstelijk voorafgaande aan zijn uitval (weer) WAO-verzekerd is geraakt, 6 april 1999 is in plaats van 1 november 1999. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen verenigen met de zienswijze van de primaire verzekerings- arts dat appellant reeds langere tijd beperkt is te achten wat betreft zijn rug, waarbij hij de aanvang daarvan min of meer arbitrair heeft bepaald op 1 augustus 1997, in verband waarmee de bezwaarverzekeringsarts ook het oordeel heeft overgenomen dat die rugbeperkingen reeds aan de orde waren bij de - nader op 6 april 1999 bepaalde - aanvang van appellants WAO-verzekering. Naar arbeidskundig oordeel was appellant op 6 april 1999 niet in staat tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de toen door hem ter hand genomen werkzaamheden als medewerker in een slachthuis. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geoordeeld dat appellant met zijn beperkingen bij aanvang verzekering wel in staat was tot het verrichten van minder (rug)belastende arbeid, zoals verbonden aan de - bij raadpleging van het FIS geselecteerde - functie van monteur, en dat hij op de datum in geding onverminderd tot het vervullen van die functie in staat was, zodat geen sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit.

Bij het bestreden besluit van 23 augustus 2001 heeft gedaagde, vorenomschreven benadering volgend, het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant doen stellen dat hij zich op de datum in geding tot geen enkele loonvormende arbeid in staat acht, ten gevolge van zijn gecombineerde klachten op fysiek terrein (de rug- en beenklachten) alsmede klachten op het psychische vlak. Voorts heeft appellant uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 augustus 1997. Het moge duidelijk zijn, volgens appellant, dat er vanaf dat tijdstip sprake is geweest van rugklachten en ook urologische klachten, maar dat die klachten nadien geleidelijk zijn verergerd.

De Raad is op grond van het volgende van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

Aan het bestreden besluit ligt, als hiervoor weergegeven, de door de bezwaarverzekeringsarts gevolgde visie van de primaire verzekeringsarts ten grondslag dat appellant bij aanvang van de verzekering alsmede - in gelijke mate - op de datum in geding wezenlijke arbeidsbeperkingen ondervond als gevolg van problemen aan zijn rug. De primaire verzekeringsarts heeft die visie gebaseerd op de resultaten van het door haar verrichte lichamelijk onderzoek van appellant alsmede op van de behandelend sector verkregen inlichtingen, in het bijzonder de inlichtingen die de orthopaedisch chirurg T. Sijbesma bij brieven van 4 oktober en 22 november 2000 heeft verstrekt.

In haar rapport van 22 januari 2001 heeft de verzekeringsarts evenwel onder het kopje “Lichamelijk onderzoek” onder meer vermeld dat de rug van appellant een normale stand en vorm heeft en een goede beweeglijkheid vertoont in alle richtingen volgens norm. In de brief van 4 oktober 2000 concludeert genoemde orthopaedisch chirurg dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor een HNP, terwijl hij in zijn brief van 22 november 2000, in lijn hiermee, onder meer stelt dat een duidelijk radiculair beeld bij lichamelijk onderzoek niet kon worden vastgesteld en dat er geen duidelijke restricties op medische gronden zijn.

De Raad is van oordeel dat, gelet op zowel evenvermelde uitkomsten van het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts als op de vorenomschreven bevindingen van de orthopaedisch chirurg Sijbesma, de conclusie van de verzekeringsarts dat er bij appellant, bij datum aanvang verzekering en eveneens op de datum in geding, sprake is van een sterk beperkte rugfunctie onvoldoende steun vindt in de voorhanden zijnde medische gegevens. De in het bestreden besluit neergelegde schatting kan, nu deze volledig is geënt op dit - althans bij het licht van de thans voorhanden gegevens - onjuist te achten medische uitgangspunt, in rechte geen stand houden.

Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor gegeven oordeel van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966, - voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nader besluit zal nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.