Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2004
Datum publicatie
15-12-2004
Zaaknummer
00/5769 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenteambtenaar is blijvend arbeidsongeschikt geworden. Is terecht geweigerd betrokkene materiële en immateriële schadevergoeding toe te kennen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5769 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet, als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Nunspeet, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 oktober 2000, nr. 99/333 BELEI 06, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H.A. Komduur, juridisch adviseur te Ruinen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, werkzaam bij Capra en L. de Bruin, werkzaam bij de gemeente Nunspeet.

II. MOTIVERING

1. De Raad merkt vooreerst op dat hij, uitgaande van de door de wetgever met de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111) beoogde wijziging in het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden, in dit geding het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet (hierna ook: het College) aanmerkt als rechtsopvolger van de raad van die gemeente (hierna: de gemeenteraad).

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant, op 1 oktober 1973 in dienst getreden bij de gemeente Nunspeet, vervulde laatstelijk vanaf 1 januari 1986 de functie van hoofd van de [naam afdeling]. Bij het vacant komen van de functie van gemeentesecretaris in 1994 heeft appellant niet naar die functie gesolliciteerd, naar zijn mening verdiende het de voorkeur dat iemand “van buiten” zou worden aangesteld. Wel solliciteerde als (enige) interne kandidaat mr. G.A. B. (hierna: B.), die vanaf 1991 een betrekking vervulde onder de onder appellant ressorterende afdeling algemene en bestuurlijke zaken. Na een sollicitatieprocedure heeft de gemeenteraad B., die tezamen met een externe kandidaat was voorgedragen door de selectiecommissie, waarvan appellant deel uitmaakte, benoemd tot gemeentesecretaris. Op 25 september 1995 is appellant ziek gemeld en nadien heeft hij zijn werkzaamheden niet meer hervat. Door de uitkeringsinstantie USZO is appellant blijvend arbeidsongeschikt geacht voor zijn functie en is hem een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 februari 1998 is appellant eervol ontslag verleend uit zijn functie op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Nunspeet (hierna: de Arbeidsvoorwaardenregeling).

2.2. Bij brief van 14 mei 1998 heeft appellant de gemeenteraad verzocht om aanvulling van zijn WAO-uitkering tot 100% van zijn laatstgenoten salaris tot zijn 65e jaar, vergoeding van verhuiskosten en kosten van rechtsbijstand, alsmede een immateriële schadevergoeding van f 50.000,- (€ 22.689,11). Volgens appellant heeft hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden schade geleden, doordat zijn werkgever zich na de benoeming van B. tot gemeentesecretaris niet als een goed werkgever heeft gedragen.

2.3. De gemeenteraad heeft dit verzoek, in overeenstemming met het voorstel van het College, in zijn vergadering van 25 juni 1998 afgewezen. Bij besluit van 2 maart 1999 is appellants bezwaar daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat de grondslag van appellants verzoek om schadevergoeding is gelegen in een beweerdelijk onrechtmatig handelen van zijn werkgever. Op grond van artikel 2:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling geschiedt de aanstelling door burgemeester en wethouders, tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald. Nu met betrekking tot appellants functie van hoofd van de [naam afdeling] niet anders is bepaald, is het College derhalve als werkgever aan te merken. Naar het oordeel van de Raad is het College dan ook het bestuursorgaan dat bevoegd was om op het verzoek van appellant te beslissen en had de gemeenteraad het verzoek van appellant aan het College moeten doorsturen. Nu dit niet is gebeurd, is op appellants verzoek door een niet bevoegd bestuursorgaan beslist, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

3.2. Nu echter, onder meer gelet op de brief van de eerstgenoemde gemachtigde van gedaagde van 27 april 2000 aan de rechtbank, tevens kan worden aangenomen dat het College geen ander besluit zou hebben genomen, zal de Raad overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van appellants grieven teneinde te bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4.1. Appellant heeft doen aanvoeren dat de hoorprocedure niet naar behoren heeft plaatsgevonden, omdat gedaagde het horen niet heeft opgedragen aan een onafhankelijke commissie. De Raad is echter geen voorschrift bekend op grond waarvan gedaagde daartoe gehouden was. Weliswaar kent de gemeente Nunspeet een commissie bezwaar- en beroepschriften, maar die was, zoals gedaagde onweersproken heeft gesteld, niet bevoegd bezwaarschriften met betrekking tot rechtspositionele zaken van het personeel te behandelen. De Raad acht evenmin zodanige bijzondere omstandigheden aanwezig, dat gedaagde in dit geval tot inschakeling van een onafhankelijke commissie had dienen over te gaan. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de hoorprocedure, ook indien wordt uitgegaan van het College als bevoegd bestuursorgaan, heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 7:5 van de Awb dan wel enig andere bepaling, kan deze grief van appellant niet slagen.

4.2. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om aan appellant materiële en immateriële schadevergoeding toe te kennen heeft betrekking op een aantal door appellant gestelde onrechtmatige gedragingen van gedaagde. Derhalve zal in de eerste plaats bezien moeten worden of enig onrechtmatig handelen van gedaagde valt aan te wijzen, dat grondslag kan vormen voor een aanspraak van appellant op schadevergoeding door gedaagde.

4.3. Appellant stelt allereerst - kort samengevat - dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door, na de benoeming van B. tot gemeentesecretaris, niet op eigen initiatief maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat er problemen zouden rijzen tussen appellant en B.. Daartoe was, aldus appellant, alle aanleiding gezien het feit dat B. de meerdere van appellant werd, terwijl hij voorheen (indirect) ondergeschikt was aan appellant.

4.5. De Raad acht het voorstelbaar dat appellant na de benoeming van B. in een lastige positie kwam te verkeren, temeer nu appellant B. niet geschikt achtte voor de functie van gemeentesecretaris. Uitzonderlijk is een dergelijke situatie echter niet te noemen, zodat het de Raad, mede in aanmerking nemend dat appellant zelf niet had gesolliciteerd en hij die functie dus kennelijk niet ambieerde, te ver gaat om te zeggen dat gedaagde reeds op voorhand maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat er problemen ontstonden tussen appellant en B.. Daarvoor is tenminste vereist dat er aanwijzingen waren dat die problemen zouden ontstaan en daarvan is de Raad onvoldoende gebleken. Bovendien mag van een ambtenaar, werkzaam op een functie(niveau) als appellant, worden verwacht dat hij hem minder welgevallige beslissingen van zijn werkgever accepteert en zich dienaangaande loyaal opstelt. Van onzorgvuldig handelen van gedaagde op dit punt is dan ook geen sprake.

4.6. Appellant heeft een aantal voorbeelden genoemd van handelingen en gedragingen van (leden van) het College, alsmede van B., die naar zijn mening als onrechtmatig zijn aan te duiden. De Raad volgt appellant ook hierin niet en sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen in de aangevallen uitspraak. Afzonderlijk noch gezamenlijk beschouwd zijn die gedragingen aan te merken als onrechtmatig handelen.

4.7. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het rapport van J.H. Smit, psychiater/psycho-analyticus/psychotherapeut te Assen, waarin deze concludeert “….dat zijn (dit is: appellants) draaglast is overschreden vanuit de organisatie en dat afwegend zijn karakter-neurotische inslag de gang van zaken heeft geleid tot dit ziektebeeld c.q. toekomstig verminderd functioneren. Eén en ander was vermijdbaar geweest bij goede personele verhoudingen tot en met zijn pensioen.”

De Raad overweegt ten aanzien van deze conclusie dat hij niet wil ontkennen dat appellants draagkracht is overschreden en dat het zeker niet onmogelijk is dat de oorzaak daarvan is gelegen in de werkomstandigheden, maar dat dit niet inhoudt dat van onrechtmatig handelen sprake was. Daarvoor zal dienen vast te staan dat het gedaagde vóórdat appellant zich ziek meldde duidelijk had moeten zijn dat van een dergelijke overschrijding sprake was. De voorhanden zijnde gedingstukken bieden voor die conclusie onvoldoende steun. Het feit dat appellant zelf een arbeidspsychologe had ingeschakeld, hetgeen gedaagde bekend was, is een onvoldoende aanwijzing daarvoor.

4.8. De grieven van appellant tegen het bestreden besluit slagen derhalve niet, reden waarom de Raad aanleiding ziet te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, in totaal € 1.288,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

6. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een totaal bedrag van

€ 1.288,-, te betalen door de gemeente Nunspeet;

Bepaalt dat de gemeente Nunspeet aan appellant het door hem betaalde griffierecht van

€ 256,39 (voorheen: f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2003.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Pijper.

HD

14.04