Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2004
Datum publicatie
13-12-2004
Zaaknummer
03/3248 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht aan betrokkene een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 1997 en een 'OV-boete' opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3248 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 15 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellant een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 1997 en een 'OV-boete' opgelegd.

Appellant heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door gedaagde opgevat als te zijn gericht tegen haar besluit van 30 november 1997 tot toekenning van studiefinanciering per 1 december 1997 (Bericht 1997, no. 8), waarna dit bezwaarschrift bij besluit van 21 november 2001 niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding.

Hangende het door appellant tegen het besluit van 21 november 2001 ingestelde beroep is gedaagde alsnog tot het inzicht gekomen dat het bezwaar was gericht tegen het besluit van 15 augustus 2001, waarna gedaagde dit bezwaarschrift bij besluit van 21 februari 2002 ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 mei 2003, reg.nr. WSFBSF 01/2059, het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 november 2001, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2002, ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 30 juni 2003. Blijkens de door appellant geformuleerde grieven is zijn hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij zijn beroep tegen het besluit van 21 februari 2002, ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden, gedateerd 19 augustus 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2004. Appellant is niet verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. Holtrop, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Ten einde te voorkomen dat hem een vordering wegens meerinkomen zou worden opgelegd, heeft appellant zijn studiefinanciering per 1 september 1997 doen beëindigen (verzoek van 18 augustus 1997; besluit van 31 augustus 1997).

Op 17 november 1997 heeft hij een aanvraag ingediend waarmee hij beoogde per 1 januari 1998 weer voor studiefinanciering in aanmerking te worden gebracht. Appellant heeft echter verzuimd op zijn aanvraagformulier de gewenste ingangsdatum in te vullen. Gedaagde heeft hem vervolgens bij besluiten van 30 november 1997 studiefinanciering toegekend met ingang van 1 december 1997 (Bericht 1997, no. 8), respectievelijk met ingang van 1 januari 1998 (Bericht 1998, no. 1). De toelage over de maand december 1997 is in december 1997 op appellants girorekening bijgeschreven. Die beide besluiten zijn niet bestreden en bij gevolg rechtens onaantastbaar geworden.

Appellant is vervolgens pas in actie gekomen toen hem bij het primaire besluit van 15 augustus 2001 een vordering wegens meerinkomen ter grootte van de over de maanden januari tot en met augustus en de maand december 1997 toegekende basisbeurs en aanvullende beurs (f 3.878,10) en een 'OV-boete' over de maanden januari tot en met augustus 1997 (f 759,28) werd opgelegd.

De rechtbank heeft appellants grieven tegen het besluit van 21 februari 2002 verworpen.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd:

- dat hij zich naar zijn mening in 1997 in alle opzichten netjes aan alle regels heeft gehouden door zijn studiefinanciering op tijd te beëindigen ter voorkoming van het overschrijden van de inkomensgrens;

- dat hij tevens netjes een maand van tevoren weer studiefinanciering heeft aangevraagd voor het jaar 1998;

- dat hij onbewust een fout heeft gemaakt door de gewenste ingangsdatum niet in te vullen;

- dat hij indertijd terecht geen bezwaar heeft gemaakt omdat hij een bericht had ontvangen waarin staat dat zijn studiefinanciering per 1 januari 1998 ingaat;

- dat er een wettelijke aanvraagtermijn van een maand geldt en dat gedaagde daarom geen studiefinanciering had mogen toekennen per 1 december 1997;

- dat hij ten onrechte wordt beboet voor het gebruik van de OV-kaart over het hele jaar, terwijl hij maar van 1 januari 1998 (lees: 1997) tot en met 31 augustus 1997 van die kaart gebruik heeft gemaakt.

De Raad overweegt het volgende.

Appellants grief dat hij wordt beboet voor het gebruik van de OV-kaart over het hele jaar 1997 mist feitelijke grondslag. Weliswaar staat in de tekst van het besluit van

15 augustus 2001: “Boete over januari t/m december 1997”, maar de 'boete' betreft in feite alleen de maanden januari tot en met augustus 1997, hetgeen ook onmiskenbaar blijkt uit het hem in rekening gebrachte bedrag van f 759,28, zijnde acht maal het in die periode geldende maandbedrag van f 94,91.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde de in november 1997 ingediende aanvraag mocht opvatten als een aanvraag om met ingang van de vroegst mogelijke datum, in casu 1 december 1997, in aanmerking te worden gebracht voor studiefinanciering. Anders dan appellant meent, bestaat er geen wettelijke regel die voorschrijft dat tussen het indienen van de aanvraag en de ingangsdatum van de studie-financiering ten minste een maand moet liggen.

Gegeven dat appellant doordrongen was van het belang van het niet overschrijden van de bijverdiengrens, had van hem mogen worden verwacht dat hij indertijd binnen de wettelijke bezwaartermijn bezwaar zou hebben gemaakt tegen het besluit tot toekenning per 1 december 1997. Voor zover hij heeft willen betogen dat hij Bericht 1997, no. 8, niet heeft ontvangen, acht de Raad de betwisting van de ontvangst niet aannemelijk, nu appellant het op dezelfde dag aangemaakte Bericht 1998, no. 1, houdende de toekenning per 1 januari 1998, wel heeft ontvangen. Voor zover sprake is van onvoldoende oplettendheid van appellant dienen de gevolgen daarvan voor zijn eigen rekening te komen. Van appellant had in ieder geval mogen worden verwacht dat hij naar aanleiding van de bijschrijving van de studiefinanciering over december 1997 op zijn girorekening nog binnen de termijn van zes weken na het toekenningsbesluit van 30 november 1997 actie zou hebben ondernomen.

Onder deze omstandigheden kan naar 's Raads oordeel niet worden gezegd dat gedaagde, al dan niet met gebruikmaking van de hardheidsclausule, de toekenningsbeslissing (Bericht 1997, no. 8) ongedaan had behoren te maken dan wel appellant anderszins in een positie had behoren te brengen alsof toekenning van studiefinanciering over december 1997 niet had plaatsgevonden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

MH