Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2004
Datum publicatie
13-12-2004
Zaaknummer
02/4267 WAO + 02/4268 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO. Geschiktheid eigen werk maar terugkeer is niet mogelijk. Geen dringende reden af te zien van terugvordering voorschot.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4267 WAO + 02/4268 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 26 januari 2001 waarbij is geweigerd aan hem per 2 mei 2000, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij per die datum geschikt was voor zijn eigen werk.

Bij uitspraak van 27 juni 2002, kenmerk SBR 01/1672, heeft de rechtbank Utrecht appellants beroep tegen dat (weigerings-)besluit van 17 juli 2001 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

Bij ander besluit van 17 juli 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen zijn besluit van 6 maart 2001, waarbij van appellant een bedrag van f 16.744,97 bruto en f 2.462,14 netto is teruggevorderd, onder overweging dat appellant die bedragen in de periode van 26 juli 2000 tot 1 februari 2001 teveel aan WAO-uitkering heeft ontvangen.

Bij uitspraak van eveneens 27 juni 2002, kenmerk SBR 01/1671, heeft de rechtbank Utrecht appellants beroep tegen dat (terugvorderings-)besluit van 17 juli 2001 (hierna: bestreden besluit 2) evenzeer ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft appellant op bij per uitspraak apart beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft één verweerschrift voor beide zaken ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2004. Appellant is - met kennisgeving per faxbrief - niet verschenen. Voor gedaagde is verschenen A.H.G. Boelen, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De geweigerde WAO-uitkering.

Appellant was voltijds werkzaam als administratief medewerker bij de Belastingdienst Particulieren te Utrecht toen hij op

4 mei 1999 met hartklachten uitviel voor dat werk. Enkele maanden later zijn daar spannings-, vermoeidheids- en schouderklachten bijgekomen.

Op 7 februari 2000 heeft appellant een WAO-uitkering aangevraagd.

Op 2 augustus 2000 is appellant onderzocht door verzekeringsarts P.B. Deinum die gegevens heeft opgevraagd bij de appellant behandelend cardioloog prof. dr. N.M. van Hemel en psycholoog/psychotherapeut drs. J.W.B.M. Princen. Na ontvangst van deze gegevens heeft Deinum op 16 augustus 2000 de conclusie getrokken dat er psychisch gezien geen aanleiding bestaat tot het aannemen van beperkingen, maar cardiologisch gezien wel, te weten energetische beperkingen ten aanzien van zware lichamelijke inspanning, structureel overwerk en ploegendienst, en een belastbaarheidspatroon opgesteld. Op basis van de bevindingen van Deinum en van het resultaat van een werkplekonderzoek op 2 oktober 2000 met inbegrip van een gesprek met personeels-consulent H. Klok, is de arbeidsdeskundige Th.J. Kaemingk op 10 november 2000 tot de conclusie gekomen dat appellant niet ongeschikt is voor zijn maatmanfunctie.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 26 januari 2001 geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat appellant per 2 mei 2000 geschikt is voor zijn eigen, fysiek niet belastende werk.

In de bezwaarfase is de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes op basis van de voorhanden stukken tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat het belastbaarheidspatroon aan te scherpen en dat er medisch gezien geen redenen zijn om aan te nemen dat appellant zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten, waarna bij bestreden besluit 1 appellants bezwaren ongegrond zijn verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2001 (kenmerk SBR 01/1672) heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard onder overweging dat appellant medisch en arbeidskundig gezien geschikt is voor zijn eigen werk, dat daarom appellants grief dat geen van de aan hem voorgehouden functies passend is geen bespreking behoeft, dat de omstandigheid dat een ontslag als gevolg van eigen strafbaar handelen in de weg staat aan hervatting van het eigen werk niet kan leiden tot het aannemen van arbeidsongeschiktheid en dat het feit dat gedaagde de beslistermijn van artikel 87 van de WAO heeft overschreden er niet toe kan leiden dat aan appellant in strijd met de geldende wettelijke bepalingen een WAO-uitkering wordt toegekend.

In hoger beroep heeft appellant - behoudens hetgeen hij in beroep bij de rechtbank had aangevoerd - nog het volgende naar voren gebracht.

Het door Deinum ingestelde onderzoek kan niet als een deugdelijk medisch onderzoek worden gekwalificeerd. Deinum heeft voorts de van Van Hemel en Princen verkregen gegevens naast zich neer gelegd en zichzelf op meerdere onderdelen tegengesproken, waarbij nog komt dat Deinum met de door Princen bij brief van 15 augustus 2000 verstrekte en op

17 augustus 2000 bij gedaagde binnengekomen gegevens onmogelijk reeds op 16 augustus 2000 rekening heeft kùnnen houden. Aangezien Heijltjes van dezelfde medische gegevens is uitgegaan als Deinum, heeft appellant verzocht om een onderzoek door een onafhankelijke medicus, welk verzoek evenwel door de rechtbank niet (naar behoren) gemotiveerd is afgewezen. Anders dan gedaagde meent, was er cardiaal gezien ten tijde in geding nog geen sprake van een genormaliseerde gezondheids-eind-toestand.

Appellants eigen werk bij de Belastingdienst is niet meer voorhanden, terwijl vanwege het specifieke karakter van zijn werk soortgelijk werk met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

Daarbij komt dat het Gerechtshof nog niet heeft beslist op het hoger beroep dat appellant op 25 mei 2000 heeft ingesteld tegen het strafvonnis terzake van het (ongeoorloofd) verstrekken van informatie aan derden.

Overigens is, aldus tot slot appellant, uit de hem als geschikt voorgehouden functies - die voor hem niet geschikt zijn - af te leiden dat hij voor minstens 40% arbeidsongeschikt is.

De Raad overweegt het volgende.

Dit geschil wordt beheerst door het antwoord op de vraag of appellant geschikt is voor het werk dat hij laatstelijk bij de Belastingdienst heeft verricht, zijn eigen werk.

Naar het oordeel van de Raad is niet staande te houden dat het medisch onderzoek van appellant niet deugdelijk is geweest. De verzekeringsarts Deinum heeft op 2 augustus 2000 eigen onderzoek verricht en inlichtingen verkregen van de behandelende sector. Mede op basis van de van die behandelaars verkregen gegevens over appellants gezondheids- toestand heeft Deinum op 16 augustus 2000 zijn oordeel genoemd en een belastbaarheidspatroon opgesteld waarbij rekening is gehouden met de aldus verkregen gegevens. Ter zitting van de Raad heeft gedaagde desgevraagd afdoende uiteengezet dat (vertrouwelijke) medische gegevens eerst in handen van de desbetreffende verzekerings-arts plegen te worden gesteld, alvorens door de administratie als ingekomen post van een datumstempel te worden voorzien. Dusdoende heeft het kunnen gebeuren dat Deinum in zijn rapport van 16 augustus 2000 en het door hem op diezelfde dag opgestelde belastbaarheidspatroon de daags ervoor gedateerde en daags erna ingeboekte gegevens van Princen heeft kunnen verwerken. De Raad beschikt niet over aanwijzingen om deze uiteenzetting van gedaagde niet aanvaardbaar te achten.

Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd, laat staan medische gegevens overgelegd die aanleiding zouden kunnen vormen om te betwijfelen of de medische gegevens waarvan Deinum en in de bezwaarfase Heijltjes zijn uitgegaan juist zijn en/of een nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige te gelasten. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank dan ook niet een zodanig onderzoek doen instellen.

Dat appellant - zoals hij ook reeds ter zitting van de rechtbank heeft gesteld respectievelijk aangekondigd - op 11 juni 2002 is onderzocht door vaatchirurg dr. J. Wille en kort daarop nog aanvullende onderzoeken heeft ondergaan, is op zich onvoldoende om aan te nemen dat hij ten tijde in geding (ruim 2 jaar eerder) in medisch opzicht meer was beperkt dan door Deinum is aangenomen. Appellant heeft over die nadere onderzoeken ook geen enkel stuk ter onderbouwing van zijn standpunt in het geding gebracht.

Het is de Raad ambtshalve bekend dat het hoger beroep dat appellant bij de Raad heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2000, kenmerk SBR 99/2086, waarbij ongegrond is verklaard zijn beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 20 september 1999 tot handhaving van zijn onvoorwaardelijk strafontslag per 7 augustus 1999, bij uitspraak van 29 april 2004, kenmerk 00/5510 AW, heeft geresulteerd in een bevestiging van de aangevallen uitspraak. Daarmee behoort een terugkeer in het eigen werk bij de Belastingdienst niet meer tot de mogelijkheden. Gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

5 november 1997 (USZ 1998/2) heeft overwogen zou het in strijd zijn met een redelijke wetsuitleg om arbeidsongeschiktheid aan te nemen in een situatie waarin iemand geschikt is voor zijn eigen werk, terwijl aan de hervatting van dat werk uitsluitend in de weg staat een verleend ontslag als gevolg van eigen strafbaar handelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de dit geschil beheersende vraag bevestigend dient te worden beantwoord en dat derhalve de aangevallen uitspraak met kenmerk SBR 01/1672 dient te worden bevestigd.

Het teruggevorderde voorschot.

Bij besluit van 25 augustus 2000 is aan appellant, op diens uitdrukkelijke verzoek bij brief van 16 augustus 2000, per 26 juli 2000 een voorschot op de eventueel aan hem toe te kennen WAO-uitkering verleend. Bij die verlening is met zoveel woorden aangetekend dat het gaat om een voorlopige uitkering, hangende het onderzoek naar de mate van appellants arbeids- ongeschiktheid, die zal moeten worden teruggevorderd, indien en in zoverre zal blijken dat appellant geen recht op toekenning van de gevraagde WAO-uitkering heeft. Appellant heeft op die basis van 26 juli 2000 tot 1 februari 2001 in totaal

f 19.207,11 aan voorschot ontvangen.

De terugvordering van dat bedrag (grotendeels bruto) bij besluit van 6 maart 2001 is bij bestreden besluit 2 geheel gehandhaafd en bij uitspraak van 27 juni 2002 met kenmerk SBR 01/1671 is appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de overschrijding van de termijn waarop ingevolge de WAO op appellants WAO-aanvraag een beslissing had moeten zijn genomen geen dringende reden gezien om van de wettelijk verplichte terugvordering af te zien. Ook overigens heeft de rechtbank geen dringende reden aanwezig geacht.

Voorts is de rechtbank niet inhoudelijk ingegaan op appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds wegens strijd met de goede procesorde, aangezien appellant eerst ter zitting van de rechtbank de naam van de persoon in het gestelde gelijke geval heeft genoemd en gedaagde niet in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op de grief te reageren.

In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde standpunten herhaald, wat het door hem gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft onder overlegging van een copie van een brief d.d. 11 april 2001 van de kant van gedaagde aan de desbetreffende persoon in het gestelde gelijke geval.

De Raad overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat het hier gaat om een voor gedaagde bestaande wettelijke verplichting tot terugvordering waarvan ingevolge artikel 57, vierde lid, van de WAO geheel of gedeeltelijk kan worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Gelijk de Raad in eerdere uitspraken heeft overwogen - met name in zijn uitspraak van 21 maart 2001 (USZ 2001/141 en RSV 2001/174) - kan er van een dringende reden als bedoeld in artikel 57 van de WAO blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel slechts sprake zijn, indien terugvordering voor de verzekerde tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het moet derhalve gaan om een incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt.

In het thans aanhangige geval is de Raad van onaanvaardbare gevolgen voor appellant niet kunnen blijken. Appellant heeft niet geconcretiseerd en gespecificeerd aangegeven dat hij het aan gedaagde verschuldigde bedrag bij gebrek aan enig inkomen niet zal kunnen terugbetalen, zodat een beoordeling van zijn omstandigheden niet mogelijk is.

Ook indien zou komen vast te staan dat gedaagde appellants aanvraag om een WAO-uitkering niet met de vereiste voortvarendheid heeft behandeld en/of onnodig lang voorschotten aan appellant heeft verstrekt, dan nog kan daarmee in het kader van dit geding geen rekening worden gehouden, daar, zoals hiervoor is overwogen, uitsluitend ter beoordeling staat of de gevolgen van de (verplichte) terugvordering voor de verzekerde onaanvaardbaar zijn. In zijn uitspraak van 9 mei 2003

(RSV 2003/187) en sedertdien heeft de Raad dan ook overwogen dat stilzitten van gedaagde (ingeval het gaat om verplichte terugvordering) geen dringende reden oplevert.

Het door appellant - in het kader van de dringende redenen - gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, reeds omdat door appellant ter onderbouwing van dat beroep niet meer naar voren is gebracht dan de evenvermelde brief met daarop de naam van de ander en de toelichting dat die ander evenals hij bij de Belastingdienst werkzaam was als ambtenaar en om dezelfde reden als hij (schending van de geheimhoudingsplicht) is ontslagen. De desbetreffende brief houdt in de mededeling dat de door de herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage onstane vordering op die ander inmiddels is kwijtgescholden. Gedaagde heeft ontkend dat er sprake is van gelijke gevallen. Op basis van de door appellant verstrekte summiere gegevens kan niet worden beoordeeld of er sprake is van gevallen die - wat de gevolgen van de terugvordering betreft - op één lijn liggen. Het is aan degene die stelt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel om die stelling met concrete gegevens te onderbouwen. Er zijn situaties denkbaar waarin voor het verleggen van de bewijslast naar de wederpartij aanleiding kan bestaan, maar van een zodanige situatie is hier beslist geen sprake.

Tot slot heeft appellant in verband met de - zijns inziens te lange - tijd die gedaagde heeft genomen alvorens tot terugvordering over te gaan, nog bezwaar gemaakt tegen het bruto-karakter van een groot deel van de terugvordering.

Dienaangaande overweegt de Raad dat het bestreden besluit wat dat aspect betreft is genomen in overeenstemming met zijn vaste jurisprudentie. Die houdt in dat het bestuursorgaan is gerechtigd over te gaan tot terugvordering van brutobedragen ingeval, zoals thans, de onverschuldigd gebleken betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten, waardoor verrekening tussen het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de toepassing van de Wet op de Loonbelasting 1964 en de fiscus niet meer tot de mogelijkheden behoort.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het conclusie dat het hoger beroep van appellant ook wat de terugvordering betreft niet slaagt.

Aangezien in geen van de beide zaken termen aanwezig zijn voor een proceskostenver-oordeling, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.