Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
03/62 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank is bij de beoordeling van het WAO-besluit buiten de grenzen van het geding getreden. Het beroep tegen de WAO-schatting wordt alsnog ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/62 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 16 december 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer

AWB 02 / 332 WAO I.

Namens gedaagde heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, een verweerschrift ingediend.

Gedaagdes gemachtigde heeft, daarbij aangevende dat gedaagde stelt ernstig psychisch te lijden door de handelwijze van appellant, de Raad verzocht de mogelijkheden te bezien of de zaak zich zou kunnen lenen voor een versnelde behandeling. Voorts heeft gedaagdes gemachtigde nadere stukken ingezonden en verzocht om gevoegde behandeling met een andere hoger beroepszaak van gedaagde. Beide verzoeken zijn bij brieven van de griffier van de Raad afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2004, waar voor appellant is verschenen de heer

H.A.L. Knoben, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad merkt vooraf op, naar aanleiding van het in rubriek I vermelde verzoek van gedaagde tot versnelde behandeling van zijn zaak en onder verwijzing naar de in antwoord daarop verzonden brief d.d. 17 juni 2003 van zijn griffier, dat aan de Raad niet is kunnen blijken van termen, in de zin van een aantoonbare spoedeisendheid van de zaak, om over te gaan tot versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De voor de oordeelsvorming van de Raad van belang zijnde feiten en omstandigheden laten zich als volgt weergegeven.

Gedaagde is op 28 augustus 2000 wegens oogklachten en daarmee samenhangende hoofdpijnklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als CV-monteur. Gedaagde heeft bij een door hem ingevuld en op 19 april 2001 ondertekend aanvraagformulier aan appellant verzocht om ter zake van die uitval in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 30 augustus 2001, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 januari 2002 (hierna: het bestreden besluit), heeft appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 27 augustus 2001 een uitkering ingevolge de WAO aan gedaagde toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft de namens gedaagde tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven van medische aard verworpen. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de voor gedaagde vastgestelde medische beperkingen, met de bij de schatting als voor gedaagde passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies en met de op basis daarvan vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

Niettemin heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de onderliggende stukken blijkt dat gedaagde zich op 24 september 2001 wederom bij appellant heeft ziekgemeld. De rechtbank is van oordeel dat de (psychische) klachten die tot die ziekmelding hebben geleid reeds bestonden ten tijde van de toekenning van de uitkering aan gedaagde per 27 augustus 2001 en dat die klachten voorts berusten op dezelfde ziekteoorzaak in de zin van artikel 39a van de WAO.

De rechtbank heeft daaraan als conclusie verbonden dat de aan gedaagde toegekende uitkering op grond van artikel 39a van de WAO dient te worden herzien zodra de toename van diens arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd (wet Amber). Nu zulks niet is geschied komt, aldus de rechtbank, het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank dusdoende, met evenvermelde overwegingen en het daarop gegronde oordeel inzake de ziekmelding van gedaagde per 24 september 2001, buiten de omvang van het geding is getreden.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting stelt de Raad in de eerste plaats vast dat partijen het erover eens zijn - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat in dit geding uitsluitend de hiervoor weergegeven door appellant in hoger beroep opgeworpen vraag aan de orde is.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant slaagt. Het primaire besluit van 30 augustus 2001 bevat, in overeenstemming met het hiervoor vermelde verzoek van gedaagde om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ter zake van zijn uitval op 28 augustus 2000, uitsluitend een beslissing met betrekking tot zijn aanspraak op uitkering ingevolge de WAO met ingang van 27 augustus 2001, en niet tevens een beslissing met betrekking tot een

- mogelijkerwijs bestaande - aanspraak op uitkering in verband met de nadien plaatsgevonden hebbende ziekmelding per 24 september 2001. In het bestreden besluit is in lijn hiermee ook uitsluitend de aanspraak van gedaagde op uitkering per 27 augustus 2001 aan een heroverweging onderworpen. Over de ziekmelding per 24 september 2001 behoefde - en kon - het bestreden besluit ook geen beslissing bevatten, nu die ziekmelding in de eerste plaats een afzonderlijk van gedaagdes uitkeringsaanspraken per 27 augustus 2001 te beoordelen onderwerp betreft, en voorts pas plaatsvond nadat het primaire besluit van 30 augustus 2001 al genomen was.

In het licht van het bovenstaande is de Raad met appellant van oordeel dat de rechtbank, door bij haar beoordeling of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, de niet door dat besluit bestreken kwestie te betrekken of gedaagde aanspraak op uitkering kan ontlenen aan zijn ziekmelding per 24 september 2001, buiten de grenzen van het geding is getreden, zoals die worden bepaald ingevolge artikel 8:69 van de Awb. De aangevallen uitspraak dient derhalve wegens strijd met evenvermelde bepaling te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad voorts, gezien het vorenoverwogene, het inleidend beroep ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.