Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
08-12-2004
Zaaknummer
02/4061 WAO + 03/1020 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van het hoger beroep van de werkgever die niet in een eerder stadium bij de zaak betrokken was. Meenemen van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/49
USZ 2005/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4061 WAO + 03/1020 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 november 1999 heeft gedaagde geweigerd aan [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 8 december 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 19 april 2000 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van de werkneemster tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 13 juni 2002, reg. nr. Awb 00/6149 WAO het beroep tegen besluit

1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts is gedaagde daarbij veroordeeld tot het vergoeden van de door de werkneemster gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht.

Namens appellante is mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk aan Zee, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft op 4 maart 2003, onder herroeping van het besluit van 8 november 1999, een nieuw besluit (hierna: besluit 2) genomen waarbij aan de werkneemster alsnog met ingang van 8 december 1999 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Desgevraagd heeft appellante medegedeeld dat haar beroepschrift geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Desgevraagd heeft de werkneemster de Raad doen weten niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deel- nemen. Tevens heeft zij daarbij geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de medische stukken aan mr. Vroegindeweij voornoemd gezonden, die hierop heeft gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De werkneemster is bij appellante werkzaam geweest als schoonmaakster. Daarnaast is zij werkzaam geweest als naaister bij een gordijnenatelier, voor welke werkzaamheden zij zich op 9 december 1998 heeft ziek gemeld. Na afloop van de voor haar geldende wachttijd is geweigerd om haar een WAO-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van de werkneemster is bij het in rubriek I genoemde besluit 1 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich laten adviseren door de psychiater M. Kazemier. Deze is in zijn rapport van 24 januari 2002 tot de conclusie gekomen dat de werkneemster op de in geding zijnde datum 8 december 1999 op grond van haar depressiviteit arbeidsongeschikt was.

De rechtbank heeft het advies van de psychiater Kazemier gevolgd en het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Aan gedaagde is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Gedaagde heeft in die uitspraak berust.

Appellante is echter tegen die uitspraak in hoger beroep gekomen omdat het alsnog toekennen van een WAO-uitkering aan de werkneemster voor haar als voormalige werkgever nadelige gevolgen kan hebben bij de vaststelling van de door haar te betalen premie voor de WAO.

De Raad dient allereerst te beoordelen of dit hoger beroep ontvankelijk is. In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit op bezwaar door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. Volgens artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is onder andere artikel 6:13 van overeenkomstige toepassing, indien hoger beroep kan worden ingesteld. Naar het oordeel van de Raad is van een situatie als bedoeld in meergenoemd artikel 6:13 geen sprake. Voor appellante was er immers geen aanleiding om tegen de weigering van de uitkering bezwaar te maken. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk.

Gedaagde heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het in rubriek I genoemde besluit 2 genomen.

De Raad acht het, mede uit overwegingen van proceseconomie aangewezen op de voet van artikel 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Awb besluit 2 bij zijn oordeelsvorming in dit geding te betrekken.

Namens appellante is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het advies van de psychiater Kazemier. Appellante heeft erop gewezen dat het onderzoek van de psychiater meer dan twee jaar na de in geding zijnde datum

8 december 1999 heeft plaatsgevonden. Volgens appellante is de verklaring van de werkneemster tegenover de psychiater dat zij op 8 december 1999 al ziek was niet geloofwaardig, gezien het feit dat zij steeds wisselende verklaringen over haar klachten heeft gegeven.

De Raad ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten om de conclusies van de psychiater Kazemier onjuist te achten. In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. In dit geval is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een bijzondere situatie, waarin van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Appellante heeft haar stelling dat de werkneemster op 8 december 1999 niet vanwege psychische klachten arbeidsongeschikt was, niet met medische stukken onderbouwd. Dat de werkneemster vanaf het moment van ziekmelding wisselende verklaringen voor haar klachten heeft gegeven doet naar het oordeel van de Raad niet af aan de conclusie van de psychiater Kazemier over haar psychische gezondheidstoestand op de datum in geding. De Raad merkt op dat het wettelijk systeem van de WAO en de procedure van rechtsbescherming op grond van de Awb onvermijdelijk maakt dat een aan een medisch deskundige voorgelegde vraagstelling ziet op een datum in het verleden. De deskundige heeft de werkneemster onderzocht en kennis genomen van die gedingstukken, welke medische informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van de werkneemster ten tijde van de datum in geding. Niet valt in te zien dat de deskundige op basis van een en ander niet tot een afgewogen oordeel omtrent die datum zou kunnen komen. Appellantes grieven ter zake kunnen dan ook geen doel treffen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat het op de hiervoor aangegeven wijze te verstane beroep tegen besluit 2 ongegrond is zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 4 maart 2003 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.