Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2004
Datum publicatie
07-12-2004
Zaaknummer
02/6374 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog toekenning WAO-uitkering. Grondslag aan het bestreden besluit tot terugvordering is daarmee komen te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6374 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.

Gedaagde heeft bij besluit van 15 maart 2001 de in de periode 1 mei 1999 tot 1 november 2000 ten onrechte betaalde uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ten bedrage van f 20.637,20 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 28 februari 2002 heeft gedaagde het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 21 november 2002, nr. WAO 02/797-ZET, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2004, waar appellante, zoals schriftelijk was aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige geding ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde het (bestreden) besluit tot terugvordering ingetrokken, omdat inmiddels bij besluit van 16 juli 2003 per 13 mei 1999 aan appellante een uitkering krachtens de WAO berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend en derhalve de grondslag aan het thans bestreden besluit tot terugvordering is komen te ontvallen.

Nu niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij vernietiging van het bestreden besluit, zal de Raad het hoger beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Het vorenstaande brengt mee dat gedaagde dient te worden veroordeeld in de proceskosten van appellante, bestaande uit € 322,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg.

Voorts ziet de Raad aanleiding te bepalen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep vergoedt.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte griffierecht van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van de Kade en

mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar 19 november 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.

RG