Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2004
Datum publicatie
03-12-2004
Zaaknummer
02/1366 WAO + 02/1367 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering. In geschil is de hoogte van het vastgestelde dagloon en het vastgestelde vervolgdagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1366 WAO + 02/1367 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 14 juni 2001 heeft gedaagde (onder meer) ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen besluiten van 2 februari 2001 en 21 februari 2002, waarbij aan appellant ingaande 28 maart 2000 een loondervingsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend naar een dagloon van f 136,84, onderscheidenlijk ingaande 28 maart 2001 een vervolguitkering krachtens deze wet naar een vervolgdagloon van f 134,77.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 januari 2002, kenmerk 01/282 en 01/1526, het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, op bij aanvullend beroepschrift van 16 april 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 16 mei 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 september 2004, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.C. Maaswinkel, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant is door zijn laatste werkgever Uitzendburo M.A.C.K. B.V. (hierna: M.A.C.K.) op 30 maart 1999 ziek gemeld, waarna hij gedurende 52 weken ziekengeld op grond van de Ziektewet heeft ontvangen. Met dit uitzendbureau had appellant op

29 januari 1999 een arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd. Daarbij was een salaris afgesproken van f 4.160,- per vier weken, zij het dat dit salaris uitsluitend verschuldigd is voor de daadwerkelijk verrichte arbeid. Doorbetaling van salaris was in deze overeenkomst uitdrukkelijk uitgesloten indien, om welke reden dan ook, geen arbeid wordt verricht. Blijkens de gedingstukken was appellant tot de ziekmelding werkzaam in de scheepsbouw. Voordat appellant de overeenkomst met M.A.C.K. sloot was hij afwisselend wel en niet werkzaam bij diverse werkgevers, in hoofdzaak uitzendbureaus.

Bij besluit van 2 februari 2001 heeft gedaagde appellant ingaande 28 maart 2002 een uitkering krachtens de WAO toegekend. Bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar deze uitkering wordt berekend, is gedaagde afgegaan op de door de werkgevers van appellant verstrekte loongegevens over de referteperiode van 30 maart 1998 tot 30 maart 1999. Onder toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dagloonregelen WAO heeft gedaagde het op basis van deze gegevens berekende dagloon evenredig verlaagd. Het bij besluit van 21 februari 2001 vastgestelde vervolgdagloon is gebaseerd op het evenredig verlaagde dagloon, zoals vastgesteld bij besluit van 2 februari 2001. Beide besluiten heeft gedaagde gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 juni 2001.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat dit besluit in rechte stand houdt. Daarbij heeft zij overwogen met gedaagde van oordeel te zijn dat de door appellant overgelegde jaaropgaven een ruimere periode beslaan dan de referteperiode en voorts dat daarin bedragen opgenomen kunnen zijn die bij de berekening van het dagloon buiten beschouwing dienen te blijven. Gedaagde heeft de berekening dan ook terecht uitgevoerd op grond van de gegevens van de werkgevers. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat gedaagde terecht de door appellant gestelde ontvangen contante betalingen niet bij de berekening van het dagloon heeft meegenomen, nu appellant op geen enkele wijze heeft aangetoond, noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij (een deel van) zijn loon contant heeft ontvangen.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 14 van de Dagloonregelen WAO heeft de rechtbank overwogen dat conform vaste jurisprudentie van de Raad in situaties als die van appellant, waarin afwisselend wel en niet via uitzendbureaus wordt gewerkt, er in beginsel van mag worden uitgegaan dat het niet werkzaam zijn voortvloeit uit de persoonlijke voorkeur van betrokkene, behoudens sterke aanwijzingen van het tegendeel. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het niet de persoonlijke voorkeur van appellant was om afwisselend wel en niet werkzaam te zijn, dan wel dat het de verwachting was dat appellant steeds fulltime werkzaam zou zijn.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dagloonregelen WAO, waarin is bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt indien het arbeidspatroon van de uitkeringsgerechtigde kennelijk zodanig is gewijzigd dat hij geacht kan worden niet meer te verkeren in een van de in dat lid genoemde omstandigheden, gesteld dat het dagloon gebaseerd had moeten worden op het salaris dat hij met M.A.C.K. was overeengekomen. Voorts heeft appellant zijn stelling herhaald dat rekening had moeten worden gehouden met de contante betalingen die hij ontving.

Wat dit laatste betreft overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat appellant geenszins heeft aangetoond dat hij naast het loon, zoals door zijn werkgevers is opgegeven, nog contante betalingen ontving voor zijn werkzaamheden. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het dagloon had moeten worden gebaseerd op het salaris dat hij laatstelijk ontving, overweegt de Raad dat te zijner zitting gedaagde er terecht op heeft gewezen dat de overeenkomst met M.A.C.K. naar aard en strekking een uitzendovereenkomst is. Hiermee spoort ook dat appellant op basis van deze overeenkomst bij een derde werkzaam is geweest, alsmede het gegeven dat na de ziekmelding geen loondoorbetaling heeft plaatsgevonden op voet van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.

(get.) R.C. Schoemaker

(get.) L.M. Reijnierse