Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
29-11-2004
Zaaknummer
03/251 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nemen van het nieuwe besluit is de onrechtmatigheid van het eerste besluit erkend. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten het beroep tegen het eerste besluit gegrond te verklaren onder toekenning van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/251 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 november 2002, nr. 02/1152 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 oktober 2004, waar partijen - met kennisgeving vooraf- niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant verblijft sinds 1984 in Nederland. Tot 1990 was hij imam, daarna werkte hij tot 1999 als productiemedewerker via diverse uitzendbureaus. Laatstelijk werkte hij vanaf 25 september 2000 als productiemedewerker in dienst van uitzendbureau Tence. Uit dit werk is appellant op 21 december 2000 uitgevallen wegens schouderklachten beiderzijds en elleboogklachten links.

Appellant is op 8 oktober 2001 onderzocht door de verzekeringsarts C. Adamse. Deze heeft vastgesteld dat appellant lijdt aan een myalgie musculus trapezius rechts meer dan links, en een beginnende epicondylitis lateralis links bij suprasinatus tendinitis links. Op basis hiervan en na kennisname van informatie van de huisarts Coppens d.d. 21 januari 2001 heeft de verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld met beperkingen op met name de punten kortcyclisch buigen en torderen, gebruik van de nek, reiken, werken boven schouderhoogte, tillen, duwen en trekken en dragen.

Met inachtneming van dit belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige L.C. Beks op 30 november 2001 een aantal functies geselecteerd die appellant met zijn krachten en bekwaamheden kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft hierbij het opleidingsniveau van appellant gesteld op 2. Geselecteerd zijn de functies van printmonteur, stikster meubelbekleding, monteur koffiezetters, chauffeur en productiemedewerker assemblage. Asterisken op de verwoording functiebelasting van de eerste drie functies zijn tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige besproken waarbij gesignaleerde overschrijdingen gemotiveerd aanvaardbaar zijn bevonden. Het aan de functies verbonden mediane uurloon bedaagt fl. 20,21, waardoor voor appellant bij een maatmaninkomen van fl. 23,53 per uur een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% resteert.

Bij primair besluit van 4 december 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant met ingang van 19 december 2001 een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangezien appellant op die datum niet ten minste 15 % arbeidsongeschikt was.

In bezwaar is aangevoerd dat appellant last heeft van schouderklachten beiderzijds, elleboogklachten links, nekpijn, duizeligheidsklachten en met zijn pijnklachten samenhangende slaapproblemen. Zijn belastbaarheid zou zijn overschat op de punten tillen en dragen, reiken en de omvang van zijn nekklachten zou zijn onderschat. De geduide functies zouden niet passend zijn. Bovendien zou aan appellant ten onrechte opleidingsniveau 2 zijn toegekend.

De bezwaarverzekeringsarts L. Greveling heeft na appellant ter hoorzitting in bezwaar te hebben gehoord en na kennisname van informatie van de behandelend orthopedisch chirurg H. van Rijssen d.d. 14 januari 2002 het belastbaarheidspatroon juist bevonden.

Volgens Van Rijssen waren er misschien lichte degeneratieve afwijkingen ter hoogte van de rechterschouder met een spoortje prikkeling en diffuus een iets verhoogde activiteit van het caput humeri. Fysiotherapie heeft echter de beweeglijkheid van schouders en de nek goed teruggebracht. Volgens Van Rijssen is er sprake van een discrepantie tussen het klinisch onderzoek en de beleving bij appellant en zijn geen geboden of verboden opgelegd ten aanzien van werkbelasting of het verrichten van arbeid.

Bij besluit van 17 juni 2002 (besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant zijn stellingen herhaald en verzocht om een medisch onderzoek door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige.

Bij aanvullende rapportage van 6 september 2002 heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit heroverwogen omdat enkele van de geduide functies niet voldoen aan het actualiseringscriterium. Van de geduide functies kunnen alleen de functies van monteur koffiezetters en chauffeur aan appellant worden voorgehouden. Nieuwe raadpleging van het functie-informatiesysteem leert dat ook de functie modinette passend is voor appellant. Het mediane uurloon van deze functies bedraagt fl. 18,78, hetgeen een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 20%.

Bij besluit van 17 september 2002 (besluit 2) heeft gedaagde aan appellant per einde wachttijd alsnog een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.

De rechtbank heeft het beroep van appellant met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen besluit 2. Zij heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard onder veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellant en onder bepaling dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht dient te vergoeden.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar het gestelde in bezwaar en beroep, gesteld dat hij in het geheel niet in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid inkomsten te verwerven en verzocht om een medisch onderzoek door een door de Raad aan te wijzen deskundige. Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn standpunt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad constateert dat de rechtbank het beroep van appellant op goede gronden heeft geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

De Raad is met de rechtbank en op de door haar verwoorde gronden van oordeel dat gedaagde de belastbaarheid van appellant op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld en niet heeft overschat.

De Raad onderschrijft, gelet op het door appellant gevolgde Koranonderwijs in Marokko, zijn functioneren als imam in Nederland en zijn verdere arbeidsverleden in Nederland in diverse functies, het oordeel van de rechtbank dat het opleidingsniveau van appellant terecht is vastgesteld op 2, en dat de in beroep genoemde functies van monteur koffiezetters, chauffeur en modinette berekend zijn voor de krachten en bekwaamheden van appellant. De Raad merkt hierbij nog op dat niet is gebleken dat de door appellant gestelde duizelingen medisch objectief zijn vastgesteld, zodat ook de functie van chauffeur in redelijkheid aan appellant kan worden voorgehouden.

Nu appellant op grond van de hem voorgehouden functies moet worden geacht een verlies aan verdiencapaciteit te hebben geleden van 20%, heeft gedaagde bij besluit 2 op goede gronden aan appellant een WAO-uitkering toegekend berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Waar gedaagde door het nemen van besluit 2 de onrechtmatigheid van besluit 1 heeft erkend en appellant in eerste aanleg heeft doen verzoeken om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, constateert de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het beroep tegen besluit 1 gegrond te verklaren onder toekenning van wettelijke rente.

Gedaagde is nalatig gebleven uitkering betaalbaar te stellen over de periode van 20 december 2001 tot omstreeks 17 september 2002. In lijn met zijn rechtspraak met betrekking tot de aanspraak op wettelijke rente als schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb oordeelt de Raad dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 januari 2002, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe.

De Raad acht in verband met het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het gestorte griffierecht ad € 82,- aan appellant dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.