Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-11-2004
Zaaknummer
03/5933 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft betrokkene tijdig aanvraag ingediend om voor de verhoogde uitwonende studiebeurs in aanmerking te komen?

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5933 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is haar vader R.A.J.M. van der Zande op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder dagtekening 31 oktober 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: 03/532 WSFBSF K1), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 12 januari 2004 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 september 2004, waar appellante, bijgestaan door haar vader als raadsman, in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak en de daaraan voorafgaande tussen partijen gegeven uitspraak van 6 februari 2003 is overwogen. Kortheidshalve vermeldt de Raad hier dat bij het thans bestreden besluit van 29 april 2003 gedaagde haar besluit van 12 maart 2003 heeft gehandhaafd. Daarbij is het verzoek van appellante om haar (ook) over de maanden januari en februari 2002 in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) studiefinanciering toe te kennen naar de norm van een uitwonend studerende afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat na onderzoek in de administratie niet gebleken was dat appellante eerder dan in maart 2002, in het bijzonder in december 2001, om verhoging van haar studiefinanciering heeft verzocht en dat verhoging niet mogelijk is voor een periode voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Appellante heeft dit standpunt in beroep bestreden, stellende dat zij reeds op 27 december 2001 een aanvraag om verhoging van haar studiefinanciering aan gedaagde had verzonden. Een kopie van deze aanvraag heeft appellante overgelegd, alsmede een kopie van haar huurcontract per 1 januari 2002.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat vaststaat dat de aanvraag van 27 december 2001 niet aangetekend is verzonden en dat het in zo’n geval op de weg van appellante ligt om aan te tonen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Nu enige registratie van de feitelijke verzending van de aanvraag ontbreekt heeft de rechtbank de overlegging van een kopie van deze aanvraag en van het huurcontract onvoldoende geacht om feitelijke verzending aan te nemen en het risico daarvan bij appellante gelegd.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat zij wel degelijk op 27 december 2001 de hier bedoelde aanvraag heeft gedaan en dat zij bij brief van 15 maart 2002 aan gedaagde daaraan al heeft gerefereerd. Voorts heeft appellante doen wijzen op talloze slordigheden in het dossier van gedaagde, zodat het verwonderlijk is dat de rechtbank als vaststaand de stelling van gedaagde heeft aanvaard dat zij de aanvraag niet heeft ontvangen. Ten slotte is betoogd dat gedaagde gehouden is in haar voorlichting aan studerenden erop te wijzen dat aanvragen per post aangetekend dienen te worden verzonden.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante, die voorheen bij haar ouders woonde, per 1 januari 2002 als uitwonend student moet worden aangemerkt. Ingevolge artikel 3.21, derde lid, van de WSF 2000 wordt de verhoging van de studie-financiering naar de norm van een uitwonend studerende niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellante tijdig bedoelde aanvraag heeft ingediend om per 1 januari 2002 voor deze verhoging in aanmerking te komen.

De Raad laat daar of van gedaagde moet worden verlangd dat zij in haar voorlichting aan studerenden op het belang van aangetekende verzending van aanvragen en andere stukken wijst, nu aan het ontbreken van die voorlichting in elk geval niet het door appellante gewenste gevolg kan worden verbonden dat het ervoor moet worden gehouden dat zij haar aanvraag daadwerkelijk heeft verzonden.

Naar aanleiding van de verwijzing van appellante naar een aantal administratieve slordigheden van gedaagde (behelzende de vermelding van een onjuist adres en onjuiste data) overweegt de Raad dat deze op zichzelf te betreuren omissies hem niet tot het oordeel leiden dat enkel op grond daarvan de rechtbank al had moeten aanvaarden dat aan de ontkenning door gedaagde van de ontvangst van de aanvraag van 27 december 2001 zonder meer voorbij had moeten worden gegaan. Gesteld noch gebleken is dat de administratie van gedaagde ten tijde hier in geding zodanig gebrekkig was ingericht dat door haar ontvangen stukken niet als zodanig werden geregistreerd.

Ten slotte stelt de Raad vast dat appellante ook in hoger beroep er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat haar aanvraag van 27 december 2001 ter post is bezorgd. De enkele mededeling van appellante ter zitting dat zij die dag de aanvraag in een brievenbus bij haar ouderlijk huis in de buurt heeft gedeponeerd is bij het licht van de omstandigheid dat gedaagde heeft medegedeeld deze aanvraag niet te hebben ontvangen onvoldoende om zulks te aanvaarden. In zo'n geval geldt onverkort het beginsel dat het niet kunnen aantonen dat daadwerkelijk is verzonden voor risico van de afzender komt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

MH