Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
26-11-2004
Zaaknummer
02/2882 WAO + 04/6328 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering omdat betrokkene was gedetineerd en deze detentie langer dan één maand duurde. Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2882 WAO + 04/6328 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 maart 2001 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen de besluiten van 2 november 2000 en 22 november 2000, betrekking hebbend op de beëindiging met ingang van 1 juni 2000 van appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de terugvordering over de maanden juni en juli 2000 van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 april 2002, nr. AWB 01/944 WAO het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Naar deze uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens appellant heeft mr. J. Serrarens, advocaat te Maastricht, op daartoe bij hoger beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 september 2004 is namens appellant een nader stuk in het geding gebracht.

Bij brief van 28 september 2004 heeft gedaagde aan de Raad een besluit doen toekomen van 8 september 2004, waarbij appellants bezwaren tegen de besluiten van 2 en 22 november 2000 alsnog gegrond worden verklaard.

Bepaald wordt dat appellants WAO-uitkering wordt beëindigd met ingang van 1 november 2000. Het besluit tot terugvordering wordt ingetrokken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 oktober 2004 , waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Serrarens voornoemd en G. Hesen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. P.G. Koch, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Aan appellant is met ingang van 5 maart 1998 een uitkering ingevolge de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is vanaf 5 maart 1999 omgezet in een vervolguitkering. Appellant is sinds 3 februari 1999 gedetineerd.

Gedaagde heeft op 26 juni 2000 een melding ontvangen dat appellant op 1 mei 2000 was gedetineerd, waarna gedaagde met ingang van augustus 2000 de betaling van de WAO-uitkering heeft stopgezet.

Bij besluit van 2 november 2000 heeft gedaagde appellants WAO-uitkering met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant op 1 mei 2000 was gedetineerd en deze detentie langer dan één maand duurde. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 43, vijfde lid, van de WAO.

Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde de over de maanden juni en juli 2000 aan appellant onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ad f 1.895,03 (bruto) teruggevorderd.

In bezwaar is namens appellant onder meer aangevoerd dat de intrekking van de uitkering in zijn geval, gezien de ingrijpende gevolgen ervan, disproportioneel is. Aangevoerd wordt verder dat appellant nog steeds arbeidsongeschikt is. Volgens appellant dient op hem, nu hij ten tijde van de invoering van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) al gedetineerd was, het oude recht te worden toegepast.

Bij besluit van 8 maart 2001, hierna besluit 1, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellant onder meer betoogd dat de intrekking van de uitkering in strijd is met het, in diverse internationale instrumenten gewaarborgde, recht op gelijke behandeling. Zo maakt de Wsg ten onrechte onderscheid tussen diverse groepen uitkeringsgerechtigden. Gewezen wordt op personen die een uitkering genieten op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en personen die in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) zijn opgenomen. Aangevoerd wordt verder dat de Wsg in strijd is met artikel 69 van Verdrag 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder wordt namens appellant de terugvordering aangevochten. Namens appellant zijn een aantal stukken over zijn financiële situatie ingezonden.

Bij besluit van 24 september 2001 heeft gedaagde aan appellant laten weten dat vooralsnog niet tot invordering van de onverschuldigd betaalde uitkering wordt overgegaan.

Ter zitting van de rechtbank is namens appellant nog gewezen op de financiële lasten van appellant die, veelal, niet worden gedekt door de inrichting. Volgens appellant staat de intrekking van de WAO-uitkering op gespannen voet met artikel 2 van de Penitentiaire Beginselenwet en het resocialisatiebeginsel.

De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere instanties voorgedragen grieven in essentie herhaald.

Bij brief van 28 september 2004 heeft gedaagde aan de Raad een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 8 september 2004, doen toekomen, hierna besluit 2, waarbij besluit 1 wordt ingetrokken en waarbij is bepaald dat appellants WAO-uitkering met ingang van 1 november 2000 wordt ingetrokken. Verder wordt het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gegrond verklaard en wordt het primaire terugvorderingsbesluit herroepen.

Ter zitting van de Raad is namens appellant desgevraagd verklaard dat er geen bezwaar tegen bestaat dat door de Raad in de onderhavige procedure (tevens) een oordeel wordt gegeven over besluit 2. Verder is betoogd dat in het geval van appellant, gezien de duur van de detentie en de daarmee, na afloop van de detentie, gepaard gaande extra kosten (bijvoorbeeld aan kleding), de door de Raad in de uitspraak van 18 juni 2004, gepubliceerd in RSV 2004/298 en

USZ 2004/255, geaccordeerde uitlooptermijn van zes maanden te kort is. Namens appellant is tevens renteschade gevorderd.

De Raad overweegt als volgt.

Nu met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1 en dit besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, zal de Raad, op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de onderhavige procedure tevens een oordeel geven over besluit 2.

Ten gronde stelt de Raad voorop dat uit het besluit van 8 september 2004 volgt dat gedaagde de onrechtmatigheid van het besluit 1 erkent. Nu appellant schadevergoeding heeft gevorderd volgt daaruit dat besluit 1, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. Nu uit besluit 2 volgt dat gedaagde nalatig is gebleven aan appellant uitkering betaalbaar te stellen, volgt daaruit tevens dat de vordering tot vergoeding van renteschade voor toewijzing in aanmerking komt. Alvorens een oordeel te geven over de hoogte van de rentevordering zal de Raad eerst ingaan op de vraag of besluit 2 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Ten aanzien van het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

In de hiervoor aangehaalde uitspraak van 18 juni 2004 heeft de Raad - uitvoerig gemotiveerd - als zijn oordeel gegeven dat de Wsg in overwegende mate de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad heeft de in die gedingen naar voren gebrachte grieven verworpen met uitzondering van de grief inzake de strijdigheid van de Wsg, bij intrekking van een op 1 mei 2000 bestaand uitkeringsrecht, met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Naar het oordeel van de Raad heeft de wetgever met de overgangstermijn van één maand en de (mogelijke) herleving van het recht op uitkering na afloop van de vrijheidsbeneming, niet op een toereikende wijze vorm gegeven aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waaraan een ontneming van de eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM moet voldoen. De Raad heeft in genoemde uitspraak tevens geoordeeld dat de hantering van een overgangstermijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de Wsg wel in overeenstemming zou kunnen worden geacht met artikel 1 van het Eerste Protocol.

De Raad merkt op dat de meeste van de namens appellant naar voren gebrachte grieven door de Raad (reeds) zijn verworpen in zijn uitspraak van 18 juni 2004. De Raad verwijst in zoverre naar genoemde uitspraak. In het onderhavige geding is voorts betoogd dat de Wsg een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden. Gewezen is op de positie van de AOW-gerechtigden die niet onder het bereik van de Wsg vallen. De Raad kan appellant in deze grief niet volgen. De Raad wijst erop dat het bij de AOW niet gaat om een loondervingsregeling, maar een uitkering op minimumniveau. Daar komt bij dat de rechten op grond van de AOW worden verworven via een opbouwstelsel. De Raad is dan ook van oordeel dat het aangevochten onderscheid, bezien vanuit de doelstelling van de Wsg, voldoende objectief gerechtvaardigd is.

Verder is namens appellant betoogd dat de Wsg in strijd komt met het resocialisatiebeginsel als, onder meer, neergelegd in artikel 2 van de Penitentiaire Beginselenwet. De Raad merkt evenwel op dat het feit dat appellant de hem in en buiten de inrichting opkomende lasten niet kan betalen, geen grond kan vormen om een, op zichzelf gerechtvaardigde, intrekking van de WAO-uitkering achterwege te laten.

Ook appellants grief dat in zijn geval de uitlooptermijn van zes maanden te kort moet worden geacht kan de Raad niet volgen. De Raad merkt daarbij op dat de door appellant naar voren gebrachte feiten en omstandigheden door de wetgever bij de totstandbrenging van de Wsg zijn verdisconteerd. Ook anderszins acht de Raad appellants omstandigheden niet zodanig bijzonder dat deze gedaagde hadden moeten nopen tot inachtneming van een langere uitlooptermijn dan zes maanden.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen besluit 2 niet slaagt.

Met betrekking tot de gevorderde renteschade volgt uit het voorgaande dat gedaagde nalatig is gebleven uitkering betaalbaar te stellen over de periode van 1 augustus 2000 tot 1 november 2000. Voor de berekening van de (hoogte van de) verschuldigde rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant gestorte recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M. Gunter.