Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
25-11-2004
Zaaknummer
02/4870 AAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste rechtsmiddelen voorlichting door rechtbank; onbevoegdverklaring door de Raad; terugverwijzing naar bevoegde rechtbank .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4870 AAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. N.J.A. Raets, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2002, reg. nr. AWB 02/730 AAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2004, waar -zoals tevoren was bericht- voor appellant niemand is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J.M. van Haaften, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 9 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen een beslissing van gedaagde inzake terugvordering van een resterend bedrag niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is geregeld dat een beroepszaak bij de rechtbank onder bepaalde omstandigheden op een vereenvoudigde wijze kan worden behandeld. Dit is onder meer het geval als het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank heeft in dit geval toepassing gegeven aan dit artikel.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet kan tegen een uitspraak van de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Wel kan ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb tegen een dergelijke uitspraak verzet worden gedaan bij de rechtbank.

Partijen zijn niet, zoals wordt vereist in artikel 8:54, tweede lid, Awb, door de rechtbank gewezen op artikel 8:55, eerste lid, Awb. Ten onrechte is onderaan de uitspraak van de rechtbank vermeld dat daartegen hoger beroep bij de Raad kan worden ingesteld.

De Raad is evenwel van oordeel niet bevoegd te zijn om het hoger beroep te behandelen. Het beroepschrift wordt dan ook met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek dit als verzetschrift te behandelen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.