Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR6160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2004
Datum publicatie
23-11-2004
Zaaknummer
02/5083 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW/WAO-uitkering omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de WAO en hij derhalve niet als verzekerde voor de WAO is aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5083 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 3 september 2002, reg.nr. 01/877.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. Th. Martens, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Voor een uitvoeriger overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 1999, kenmerk 98/580, en de aangevallen uitspraak en naar zijn uitspraak van 14 juni 2001, kenmerk 99/2259. De Raad volstaat hier met het volgende.

Gedaagde is van 1992 tot 1996 als zelfstandige werkzaam geweest. Na het faillissement van zijn bedrijven is hij in mei 1996 als directeur, aanvankelijk tegen het wettelijk minimumloon en later tegen een loon van f 6.300,-- per maand in dienst getreden bij de vennootschap [naam vennootschap]. (verder: [naam vennootschap]). Gedaagde bezat één aandeel van [naam vennootschap], de overige 99 waren in het bezit van zijn voormalige administrateur, [naam voormalige administrateur] ([naam voormalig administrateur]), die op hem een aanzienlijke vordering wegens verrichte werkzaamheden had.

Op 30 april 1997 is gedaagde wegens ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden als directeur. Bij besluit van 15 april 1998 is zijn aanvraag voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen, welk besluit na gemaakt bezwaar bij besluit van 30 juli 1998 is gehandhaafd. De rechtbank heeft dat besluit bij een uitspraak van 22 maart 1999 vernietigd en deze uitspraak is op 14 juni 2001 door de Raad bevestigd. Ter uitvoering van ’s Raads uitspraak heeft appellant op 19 september 2001 opnieuw beslist op het door gedaagde gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 april 1998. Appellant heeft het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat tussen gedaagde en [naam vennootschap] geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de WAO en hij derhalve niet als verzekerde voor de WAO is aan te merken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van het griffierecht - het beroep van gedaagde tegen het besluit van 19 september 2001 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij was van oordeel dat behalve aan de voorwaarden voor het aannemen van een dienstbetrekking waarover tussen partijen geen verschil van mening bestaat, te weten de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en die van de werknemer tot persoonlijke arbeidsverrichting, ook voldaan is aan het vereiste van een gezagsverhouding tussen gedaagde en de grootaandeelhouder [naam voormalig administrateur]. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de zeggenschap binnen de vennootschap bij [naam voormalig administrateur] ligt, die 99 van de 100 aandelen in bezit heeft, en dat geen sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat [naam voormalig administrateur] feitelijk geen werkgeversgezag heeft kunnen uitoefenen. In dit verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [naam voormalig administrateur] de bevoegdheid had tot het geven van aanwijzingen aan gedaagde, dat zich niet de situatie voordoet dat de gepretendeerde werknemer een aanzienlijk financieel belang heeft in de onderneming, en dat de zekerheid die in de arbeidsovereenkomst is opgenomen in de vorm van een hypotheek op de woning van gedaagde eerder wijst op een extra drukmiddel van [naam voormalig administrateur] op gedaagde dan op het ontbreken van werkgeversgezag. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat [naam voormalig administrateur] ook zeggenschap uitoefende over werknemer [naam werknemer] die tegelijkertijd met gedaagde in dienst van [naam vennootschap] is getreden.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft appellant onder meer gesteld dat de verantwoording die gedaagde aan [naam voormalig administrateur] schuldig was puur financieel is en dat de inbreng van [naam voormalig administrateur] niets anders was dan die van een accountant. [naam voormalig administrateur] kon gedaagde weliswaar tegen zijn wil ontslaan als directeur, maar ontslag zou niet in het belang van [naam voormalig administrateur] zijn omdat hij daarmee de aflossing van zijn vordering in gevaar zou brengen. Volgens appellant was sprake van wederzijdse afhankelijkheid welke een reële gezagsuitoefening van de zijde van [naam voormalig administrateur] in de weg stond.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen grond gevonden om tot een andersluidend oordeel dan de rechtbank te komen. De Raad onderschrijft in essentie de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd en voegt daaraan nog het volgende toe.

De Raad stelt om te beginnen vast dat appellant niet betwist dat tussen gedaagde en [naam vennootschap] op 23 mei 1996 een overeenkomst is gesloten tot het verrichten van arbeid door gedaagde tegen betaling, maar uitsluitend bestrijdt dat sprake was van reëel werkgeversgezag. Met het feit dat [naam voormalig administrateur] als nagenoeg volledige eigenaar van [naam vennootschap] de zeggenschap over de onderneming had, is diens gezag over gedaagde in beginsel gegeven. De afwijkende voorwaarden waaronder gedaagde voor [naam voormalig administrateur] werkte, zoals het feit dat hij aan [naam voormalig administrateur] een hypotheek had gegeven op zijn woning, vormen ook volgens de Raad eerder een aanwijzing voor een vergaande afhankelijke positie van gedaagde ten opzichte van [naam voormalig administrateur] dan een grond om ondanks de zeggenschap van [naam voormalig administrateur] geen reëel werkgeversgezag aan te nemen. Gelet op de positie van gedaagde binnen de onderneming kan evenmin worden gezegd dat de omstandigheden waaronder gedaagde als directeur bij [naam vennootschap] werkzaam was niet wezenlijk verschilden van die waaronder hij voorheen als zelfstandige een eigen bedrijf voerde.

Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.