Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2004
Datum publicatie
19-11-2004
Zaaknummer
04/36 WUV + 04/37 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van erkende vervolgingsslachtoffer tot toekenning voorzieningen in de kosten van huur en verwarming van haar woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K EL V O U D I G E K A M E R

04/36 WUV + 04/37 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 15 december 2003, kenmerk CR 11605 + CR 11606/2003/1020, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres op de in haar beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld. Bij schrijven van 26 februari 2004 (met bijlagen) en nadien nog bij een brief van 8 juni 2004 heeft zij dit beroep nader toegelicht.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 september 2004. Eiseres is daar in persoon verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.

Met een tweetal vervolgaanvragen heeft eiseres verweerster in september 2001 verzocht om haar op grond van de Wet bijzondere voorzieningen toe te kennen in de kosten van huur en verwarming van de gezamenlijk door haar en haar echtgenoot bewoonde woning. Ter ondersteuning van die aanvragen heeft eiseres aangevoerd dat de bij haar en haar echtgenoot aanwezige ziekten en gebreken tot hoge verwarmingskosten leiden en voorts meebrengen dat zij moeten blijven wonen in hun huidige, aan hun handicaps geheel aangepaste woning waarvan de huurkosten echter in de loop van de jaren steeds verder zijn toegenomen.

Die aanvragen heeft verweerster afgewezen bij besluiten van 4 februari 2002 op de bij, na daartegen gemaakt bezwaar genomen, besluiten van 28 februari 2002 gehandhaafde grond dat eiseres niet op grond van haar uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken op de gevraagde voorzieningen is aangewezen. De bij de echtgenoot van eiseres aanwezige ziekten of gebreken waren bij die beoordeling buiten beschouwing gelaten.

Het tegen deze besluiten door eiseres ingestelde beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 14 augustus 2003, 02/1433 WUV + 02/1435 WUV, gegrond verklaard omdat, naar de gemachtigde van verweerster ook had aangegeven, de in geding zijnde aanvragen ten onrechte niet mede in het licht van de relevante ziekten en gebreken van de echtgenoot waren beoordeeld. De Raad heeft genoemde besluiten vernietigd en bepaald dat verweerster nieuwe besluiten diende te nemen met in achtneming van hetgeen in de uitspraak was overwogen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerster, nadat zij medisch onderzoek had doen verrichten zowel ten aanzien van eiseres als haar echtgenoot, bij het thans bestreden besluit de bezwaren van eiseres tegen de primair op 4 februari 2002 genomen besluiten wederom ongegrond verklaard.

In het spoor van haar geneeskundig adviseur is verweerster van oordeel dat noch in de bij eiseres als causaal aanvaarde ziekten en gebreken (psychische klachten, rugklachten en maagklachten) noch in de bij haar echtgenoot als causaal aanvaarde ziekten en gebreken (psychische klachten) een medische noodzaak als vereist in artikel 20 van de Wet gelegen is voor de gevraagde voorzieningen.

Met betrekking tot de gevraagde huurbijdrage is verweerster bovendien van oordeel dat die voorziening niet kan worden toegewezen omdat de huurkosten niet één zesde van het gezamenlijk inkomen van eiseres en haar echtgenoot te boven gaan en om die reden niet beschouwd kunnen worden als extra dan wel bijzondere kosten in de zin van de Wet.

Eiseres kan zich met de afwijzing van de gevraagde voorzieningen niet verenigen. Zij betwist de zorgvuldigheid van het verrichte medisch onderzoek omdat zij en haar echtgenoot door de arts van verweerster niet lichamelijk zijn onderzocht. Zij voert opnieuw aan dat zij niet kan en wil verhuizen uit hun aangepaste woning en voorts dat hun inkomen voor een groot gedeelte besteed moet worden aan medische hulpmiddelen en bijzondere kosten.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst dient te worden beoordeeld of verweerster op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2003. De Raad is van oordeel dat dit het geval is.

De geneeskundig adviseur van verweerster, A.M. Ohlenschlager, heeft op 2 december 2003 een bezoek gebracht aan eiseres en haar echtgenoot en beiden onderzocht. Op basis van dat onderzoek heeft de geneeskundig adviseur medisch advies uitgebracht omtrent de noodzaak voor de gevraagde voorzieningen, welk advies verweerster aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Aangezien bij de echtgenoot van eiseres alleen diens psychische klachten zijn aanvaard als verband houdend met de vervolging en derhalve als relevante ziekten of gebreken kunnen worden aangemerkt, is daarmee voldaan aan de uitspraak van de Raad.

De Raad merkt in het verlengde van het vorenstaande op dat inderdaad, zoals eiseres heeft aangegeven, ten aanzien van zowel eiseres als haar echtenoot lichamelijk onderzoek is achterwege gelaten, omdat daarvoor, aldus het verslag van het onderzoek, bij aanwezigheid van voldoende gegevens uit de behandelende sector geen indicatie aanwezig was. De Raad kan dat niet onjuist achten. De Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat eiseres zelf heeft aangegeven dat de in geding zijnde aanvragen met name met het oog op haar echtgenoot zijn ingediend en dat, zoals hierboven reeds gezegd is, alleen diens psychische klachten voor de beoordeling van de in geding zijnde aanvragen relevant zijn.

De Raad heeft in de ter beschikking staande medische gegevens noch anderszins aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het standpunt van verweerster, inhoudende dat er noch voor eiseres noch voor haar echtgenoot een medische indicatie op grond van causale ziekten of gebreken bestaat voor een voorziening in de huurkosten, onjuist moet worden geacht. Van de kant van eiseres zijn ook geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven.

Behalve dat er geen contra-indicatie voor een eventuele verhuizing naar een andere, goedkopere woning is vastgesteld, stelt verweerster zich voorts op het standpunt dat gezien het gezamenlijk inkomen van eiseres en haar echtgenoot er in hun geval met betrekking tot de huurkosten niet kan worden gesproken van extra of bijzondere kosten. Ook dit kan de Raad niet onjuist achten.

Dat geldt eveneens voor verweersters oordeel betreffende de verwarmingskosten. Deze voorziening is blijkens de stukken aangevraagd vanwege de tot immobiliteit leidende, met de vervolging geen verband houdende, lichamelijke klachten van de echtgenoot van eiseres, niet omdat hij op grond van zijn psychische klachten extra verwarming nodig zou hebben.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat het inkomen voor een groot gedeelte opgaat aan medische kosten waardoor er steeds minder vrije bestedingsruimte overblijft, moet de Raad vaststellen dat met die medische kosten, voor zover die het gevolg zijn van niet causale ziekten en gebreken, in het kader van de Wet geen rekening kan worden gehouden.

Het vorenstaande betekent dat het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.