Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2004
Datum publicatie
18-11-2004
Zaaknummer
02/3674 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat ingediend hoger beroepschrift. Niet valt in te zien waarom betrokkene niet ten minste een voorlopig hoger-beroepschrift had kunnen indienen. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/3674 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Naaldwijk. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Naaldwijk.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 mei 2002, reg.nr. 00/2355 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 oktober 2004, waar appellant is verschenen en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

De aangevallen uitspraak is op 30 mei 2002 (in afschrift) aan partijen gezonden. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde derhalve op 11 september 2002. Het hoger-beroepschrift is bij de Raad ontvangen op 15 september 2002, zodat het niet voor het einde van de termijn is ontvangen.

Nu het hoger-beroepschrift echter per post is verzonden en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, dient gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden bezien of het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Het hoger-beroepschrift is gedateerd 11 september 2002 en de enveloppe waarin het is verzonden draagt de afdruk van een frankeermachine met de datum 12 juli 2002.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij de enveloppe waarin het hoger-beroepschrift is verzonden zelf, door middel van een frankeermachine, heeft voorzien van de datum

12 september 2002 en dat hij vervolgens het hoger-beroepschrift op diezelfde dag in de brievenbus heeft gedeponeerd.

Daarmee staat vast dat het hoger-beroepschrift niet voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Vervolgens is dan, gelet op artikel 6:11 van de Awb, aan de orde of de termijnoverschrij-ding verschoonbaar is.

Appellant heeft verklaard dat hij bij terugkeer van vakantie de aangevallen uitspraak thuis aantrof en dat toen reeds drie weken van de termijn waren verstreken. Vervolgens heeft het, aldus appellant, lang geduurd voordat hij alle voor de onderbouwing van het hoger beroep noodzakelijke informatie (die afkomstig was van derden) in zijn bezit had. Daardoor was appellant niet in staat om het hoger-beroepschrift eerder in te dienen dan hij heeft gedaan.

De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in ver-zuim is geweest. Niet valt in te zien waarom hij, in de drie weken die daarvoor na terug-keer van vakantie nog restten, ten minste een voorlopig hoger-beroepschrift had kunnen indienen. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.

Daaruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat dit betekent dat de aangevallen uitspraak onherroepelijk is geworden.

Voor een veroordeling in de proceskosten is ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. drs.Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

GdJ

111