Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2004
Datum publicatie
15-11-2004
Zaaknummer
02/803 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft onvoldoende gehaald voor cursus Stafdienst. Is terecht aangevoerd dat onduidelijk en ondoorzichtig is op welke wijze en aan de hand van welke maatstaven de docenten tot hun onvoldoende waarderingen zijn gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/803 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 januari 2002,

nr. AWB 01/01547 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.C. Lenaerts, advocaat te Breda, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar ’s Raads eerdere uitspraak van 8 maart 2001,

nr. 98/281 AW, alsmede naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Als gevolg van een onvoldoende eindwaardering voor de aspecten kennis en inzicht, analytische vaardigheid en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid is appellant niet geslaagd voor de cursus Stafdienst.

Deze onvoldoende waardering heeft tevens tot gevolg gehad dat op het beoordelings-formulier geen aanbeveling is gedaan voor het volgen van de studie Hogere Militaire Vorming (HMV).

1.3. De uitslag van de cursus is bij het door appellant bestreden besluit van 17 april 1996 in stand gelaten.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd, kort gezegd, dat onduidelijk en ondoorzichtig is op welke wijze en aan de hand van welke maatstaven de docenten tot hun onvoldoende waarderingen zijn gekomen. Daaraan heeft appellant toegevoegd dat hij gedurende de cursus geen inzage heeft gehad in de formulieren waarop per docent is vermeld op welke aspecten hij volgens hen voldoende of onvoldoende scoorde en in de toelichtingen die daarbij zijn gegeven. Hierdoor is hij niet goed in staat geweest om zich te verbeteren. Omdat zijn eindcijfers voor de hoofdvakken voldoende waren en hij naderhand de cursus Voortgezette Militaire Vorming wél met goed gevolg heeft afgesloten - waarbij dezelfde aspecten met een voldoende zijn gewaardeerd - meent hij dat hij normaal gesproken ook de cursus Stafdienst met een voldoende resultaat had moeten voltooien.

2.2. Gedaagde heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Bij de waardering van de aspecten die thans in geding zijn gaat het volgens artikel 6 van het hier toepasselijke Voorschrift Examens Stafdienst om een beoordeling in brede zin op basis van (persoonlijke) waarnemingen van docenten gedurende alle onderwijs-activiteiten die deel uitmaken van de cursus Stafdienst. De Raad is van oordeel dat de rechterlijke toetsing in een dergelijke situatie een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, dient te beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust.

3.2. Blijkens de gedingstukken zijn de onderhavige waarderingen gebaseerd op de door acht docenten afzonderlijk per aspect gegeven schriftelijke kwalificaties ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’, waarbij deze kwalificaties één maal tussentijds en één maal na afsluiting van de opleidingsperiode zijn verzameld en geregistreerd. Daarbij zijn de onvoldoendes door de docenten schriftelijk toegelicht, bijvoorbeeld met de opmerking ‘is niet in staat hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden’ en ‘is bijna niet in staat een goed gestructureerd schriftelijk document op te stellen’. Naar het oordeel van de Raad waren de kwalificaties ‘onvoldoende’ daarmee genoegzaam onderbouwd en voldoende geschikt om bij te dragen aan de eindwaardering per aspect.

3.3. Appellant heeft naar voren gebracht dat voor hem niet duidelijk is hoe de (individuele) docenten tot een onvoldoende waardering zijn gekomen. Zijns inzien ontbrak het aan objectieve en vooraf vastgestelde beoordelingsnormen. De Raad merkt daarover op dat in de Uitvoeringsbepalingen bij de Regeling Examens en Beoordeling ieder te waarderen aspect nader is geconcretiseerd en uitgewerkt. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij hiervan niet op de hoogte was, maar die omstandigheid moet voor zijn eigen rekening worden gelaten nu voldoende vast staat dat de Uitvoerings-bepalingen voor hem vrij toegankelijk waren. De Raad is niet gebleken dat de door de docenten gegeven kwalificaties niet in overeenstemming met die nadere concretisering tot stand zijn gekomen, terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat er een vooringenomenheid jegens appellant bestond.

3.4. Voorzover appellant meent dat hem geen eerlijke kans tot verbetering is gegeven overweegt de Raad dat de voorlopige resultaten na de eerste periode van de cursus door de mentor met appellant zijn besproken en dat appellant daarbij in ieder geval in de gelegenheid is geweest het formulier waarop de gemiddelde waardering per aspect was vermeld in te zien en daarover vragen te stellen. Daarmee is voldoende inhoud gegeven aan hetgeen dienaangaande in artikel 5, vijfde lid, van het Voorschrift Examens Stafdienst is bepaald en uit een oogpunt van zorgvuldigheid was geboden.

3.5. De Raad overweegt ten slotte dat het feit dat appellant wel is geslaagd voor de cursus Voortgezette Militaire Vorming op zichzelf niet onverenigbaar is met het negatieve resultaat van de cursus Stafdienst. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat, ook al werden in beide cursussen dezelfde aspecten beoordeeld, de doelstellingen en daarmee ook de gestelde eisen van deze cursussen verschillend waren. De cursus Voortgezette Militaire Vorming leidde op tot (staf)functies waarin de werkzaamheden overwegend uitvoerend van aard zijn. De cursus Stafdienst had blijkens artikel 3 van de Regeling Examens en Beoordeling Stafdienst tot doel het geschikt maken van officieren voor het vervullen van staffuncties en het leggen van een grondslag voor het vervullen van commando-functies in de rang van majoor en luitenant-kolonel. Tevens had deze cursus tot doel om de gelegenheid te verschaffen tot het beoordelen van de geschiktheid van de militair voor het volgen van de studie Hogere Militaire Vorming (HMV). Dat in de cursus Stafdienst meer aandacht werd besteed en hogere eisen werden gesteld aan de te waarderen persoonlijke eigenschappen en aspecten, acht de Raad, gelet op de specifieke doelstellingen van deze cursus, aannemelijk en gerechtvaardigd. Dit is overigens ook in overeenstemming met artikel 7 van de Regeling Examens en Beoordeling Stafdienst waarin is bepaald dat vanuit de doelstelling van de cursus de eindeisen zijn afgeleid.

3.6. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet op onvoldoende gronden berust en dat het ook anderszins, gelet op de door appellant aangevoerde grieven, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

25.10