Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
11-11-2004
Zaaknummer
04/55 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Niet is gebleken dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K AM E R

04/55 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 november 2003, kenmerk JZ/060/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2004. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In februari 2003 heeft eiseres, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend gericht op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en op toekenning van een zogenoemde

artikel 19-toeslag, een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen.

Bij besluit van 23 juli 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - kort gezegd - dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- tengevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

Als relevante ervaringen heeft eiseres naar voren gebracht dat zij tijdens de Japanse bezettingsperiode als pleegkind (haar moeder was overleden toen zij een half jaar oud was en haar vader kon niet voor haar zorgen) van mevrouw [naam pleegmoeder] die een kraamkliniek in Batavia had, een gewelddadige inval in de kliniek heeft meegemaakt alsmede heeft moeten toezien hoe haar nicht [naam nicht] is gemarteld en mevrouw [naam mevrouw ] door de Japanners is opgepakt en gedood.

Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens vermeld in geraadpleegde relatiedossiers, waaronder dat van haar vader [naam vader] en dat van mevrouw [naam mevrouw] en van [naam familie relatie], en gegevens afkomstig van de door eiseres opgegeven getuigen [getuige 1] en [getuige 2] - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als omschreven in artikel 2 van de Wet voormeld. De Raad merkt hierbij nog op dat weliswaar als vaststaand kan worden aangenomen dat eiseres een inval in de kraamkliniek heeft meegemaakt doch dat niet is gebleken dat deze inval tegen haar persoonlijk was gericht of in haar aanwezigheid gepaard is gegaan met excessief geweld. In het bijzonder is bij het door verweerster ingestelde, uitvoerig te noemen onderzoek generlei bevestiging gevonden van haar aanwezigheid bij de marteling van haar nicht [naam nicht] en/of het ombrengen van mevrouw [naam mevrouw ].

Uit een en ander volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Dit betekent ook dat verweerster aan een beoordeling van de door eiseres naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet meer kon toekomen.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is beoogd te miskennen dat eiseres tijdens de oorlogsjaren bijzonder angstige en moeilijke tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.