Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
03/4937 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering voor oorlogsgetroffene omdat betrokkene tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geen vrijheidsberoving in de zin van artikel 2 WUV heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/4937 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (USA), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 17 juli 2003, kenmerk JZ/R60/2003/0484, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Namens eiseres is daarop schriftelijk gereageerd door haar gemachtigde Ph. Stuve-Berkhemer te Best. Nadien is nog een schriftelijke verklaring van eiseres ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2004. Aldaar is voor eiseres verschenen Ph. Stuve-Berkhemer voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In maart 2002 heeft eiseres, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.

Bij besluit van 7 maart 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen, samengevat, dat eiseres tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geen vrijheidsberoving in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan, en dat voorts de omstandigheden waaronder eiseres die bezetting heeft meegemaakt niet in die mate met vervolging in de zin van de Wet verband houden dat gelijkstelling met de vervolgde kon plaatsvinden.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij wel degelijk vrijheidsberoving heeft ondergaan tijdens de Japanse bezettingsperiode, met name dat zij ook al enige tijd vóór 15 augustus 1945 was geïnterneerd in het kamp De Wijk te Malang. Voorts heeft eiseres erop gewezen dat zij tengevolge van haar oorlogservaringen ernstige gezondheidsklachten heeft.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan:

handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder met name eerdere eigen verklaringen van eiseres als, onder meer, opgenomen in de over haar opgemaakte Sociale Rapporten, en gegevens betreffende de zuster van eiseres - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Uit die gegevens komt niet anders naar voren dan dat eiseres eerst tijdens de na-oorlogse Bersiapperiode in het kamp De Wijk heeft verbleven. Blijkens namens verweerster ter zitting nog verstrekte gegevens was het kamp De Wijk bovendien al sedert het voorjaar van 1944 geen interneringskamp meer maar een opvangkamp voor personen zonder middelen van bestaan.

Ook in hetgeen verder is aangevoerd is geen grond gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit. De Raad merkt daarbij op dat medische omstandigheden eerst aan de orde kunnen komen nadat is vastgesteld dat sprake is geweest van vervolging in de zin van de Wet of met vervolging op één lijn te stellen gebeurtenissen.

Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

28.09