Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
03/4695 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om aanpassing grondslag vanwege ná toekenning periodieke uitkering nog gemaakte carrière.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4695 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser] , wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 26 augustus 2003, kenmerk JZ/Q70/2003/0566, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Eiser heeft, onder inzending van nadere stukken, nog meerdere malen de gronden van zijn beroep schriftelijk verder toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 september 2004. Eiser is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1937, heeft in oktober 1972 bij de voormalige Uitkeringsraad, rechtsvoorganger van verweerster, een aanvraag ingediend om een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet; op dat moment was eiser werkzaam als kantoorbediende bij de Firma Schlenker te Amsterdam. Ingevolge deze aanvraag is aan eiser ingaande

1 oktober 1972 een periodieke uitkering toegekend, berekend naar het inkomen uit dit beroep. De Uitkeringsraad is blijkens de gedingstukken daarbij ervan uitgegaan, dat eisers psychische klachten in het vereiste verband staan met de vervolging en dat deze klachten in 1972 invaliderend tot uiting zijn gekomen. Voor eisers nierklachten werd een causaal verband met de vervolging niet aanvaard.

In maart 2002 heeft eiser zich gewend tot verweerster met een verzoek om de grondslag van de hem verleende periodieke uitkering aan te passen. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij vanaf 1976 werkzaam is geweest als schadecorrespondent en vanaf 1993 tot 1 juni 1998, de datum waarop hij met zogenoemd VUT-ontslag is gegaan, als fraudecoördinator, en dat hij ten tijde van dit ontslag om gezondheidsredenen niet meer in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten. Eiser meent dat om die reden de grondslag van zijn periodieke uitkering nader dient te worden vastgesteld aan de hand van het uit zijn laatste functie genoten inkomen, dat hoger was dan het inkomen waarnaar de nu geldende grondslag is bepaald.

Verweerster heeft dit verzoek bij besluit van 15 mei 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit, afgewezen op de grond - samengevat - dat er onvoldoende objectieve medische gegevens zijn om vast te stellen dat eiser ten tijde van het VUT-ontslag op grond van zijn causale psychische klachten blijvend ongeschikt was om zijn toen uitgeoefende functie verder te vervullen.

In beroep tegen dit laatste besluit heeft eiser vooreerst grieven ingebracht betreffende de overschrijding van de in de Wet neergelegde behandeltermijnen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een zodanige - in dit geval vaststaande - overschrijding op zichzelf echter niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van zijn VUT-ontslag wel degelijk vanwege zijn psychische klachten arbeidsongeschikt was voor zijn functie. Hij heeft daarbij gewezen op verklaringen van zijn huisarts van 19 september 2002 en van

17 februari 2003, en voorts gesteld dat hij de onderhavige problematiek ook aan de orde heeft gesteld in een onderhoud met de bedrijfsarts in januari 1998, van welk onderhoud evenwel geen aantekeningen zijn gemaakt.

De Raad staat nu voor de vraag of, gelet op hetgeen door eiser op dit punt in beroep is aangevoerd, het in het bestreden besluit neergelegde, hiervoor weergegeven standpunt van verweerster in rechte kan worden aangetast.

Die vraag beantwoordt de Raad op de hiernavolgende gronden ontkennend.

Het standpunt van verweerster is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op - de voormelde - informatie van de eiser behandelend huisarts en op gegevens van de Arbo Unie, welke organisatie ten tijde van belang de bedrijfsgeneeskundige verzorging in het bedrijf van eiser behartigde.

In deze adviezen is met name in aanmerking genomen - samengevat - dat uit de voor-handen gegevens niet blijkt van een veelvuldig ziekteverzuim of andere aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat eiser destijds vanwege zijn psychische klachten niet meer in staat was om te werken.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het in die adviezen neergelegde, door verweerster gevolgde medisch standpunt onjuist te oordelen. Terecht is namens verweerster ter zitting betoogd dat het met VUT gaan in beginsel niet geldt als een werkbeëindiging wegens (causale) ziekten of gebreken, en dat dit alleen anders kan zijn indien er duidelijke medische gegevens zijn in die richting. Ook de Raad heeft die gegevens niet aangetroffen. Uit de gegevens van de huisarts blijkt dat eiser vanaf 1995 wel enige malen om slaapmedicatie heeft verzocht, maar dat van werkverzuim geen sprake is geweest, terwijl in de gegevens van de Arbo Unie van psychische klachten geen sprake is.

De, door eiser gestelde, omstandigheid dat hij met de bedrijfsarts in januari 1998 wel over zijn psychische klachten heeft gesproken en daarbij heeft aangegeven dat hij zijn werk niet meer langer dan tot de VUT-datum kan volhouden, maar dat deze daarvan geen aantekening heeft gemaakt, biedt onvoldoende houvast voor een ander oordeel.

Datzelfde geldt voor eisers grief dat hij nu in feite wordt gestraft omdat hij zijn werk zolang heeft volgehouden. De Wet geeft aan verweerster niet de bevoegdheid om degene te belonen die ondanks zijn klachten erin is geslaagd om zijn werkzame leven op andere wijze dan op grond van arbeidsongeschiktheid te beëindigen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) L. Karssenberg.

HD

19.10