Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
02/3038 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot overname vorderingen in het kader van hoofdstuk IV van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3038 WW

E N K E L V O U D I G E K A M E R

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. W.H.R. Bal, medewerker Dienstenbond CNV, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen onder nummer 01/514 WW, op 3 mei 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 september 2004, waar appellant en gedaagde, met bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) zoals die luidde ten tijde hier van belang.

Appellant is tot 15 mei 1999 in dienstbetrekking werkzaam geweest voor [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1]). Per die datum is hij in dienst getreden van [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2]). Appellant had een aantal vorderingen op [bedrijf 1] uit hoofde van zijn dienstbetrekking. In verband met het faillissement van [bedrijf 1] op 17 juni 1999 heeft appellant zich tot gedaagde gewend en verzocht deze vorderingen in het kader van hoofdstuk IV van de WW over te nemen.

Het dienstverband van appellant met [bedrijf 2] is per 31 december 1999 geëindigd.

In verband met het door gedaagde voorlopig ingenomen standpunt dat sprake was van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), heeft appellant [bedrijf 2] gedagvaard voor de kantonrechter te Terborg en - kort gezegd - gevorderd dat [bedrijf 2] zal worden veroordeeld tot de betaling van diverse verplichtingen die voortvloeiden uit de dienstbetrekking met [bedrijf 1], zoals salaris, overuren, vakantietoeslag en vakantiedagen.

Op 22 augustus 2000 is ten overstaan van de kantonrechter een minnelijke schikking bereikt waarbij [bedrijf 2] afstand heeft gedaan van een aan appellant opgelegd concurrentiebeding en waarbij appellant heeft afgezien van alle aanspraken op [bedrijf 2] uit hoofde van de bestaand hebbende arbeidsovereenkomst.

Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen onder de overweging dat de loonbetalingsverplichtingen van [bedrijf 1] door overname van (een deel van) de activiteiten van [bedrijf 1] zijn overgegaan op [bedrijf 2].

Bij het thans bestreden besluit van 5 maart 2001 heeft gedaagde dat standpunt gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 januari 1987 (RSV 1987/161) overwogen dat niet kan worden gesteld dat de kans van slagen van appellant om op betrekkelijk eenvoudige wijze van de derdeverkrijger betaling te verkrijgen middels een gerechtelijke procedure, niet anders dan als twijfelachtig en in elk geval niet als overwegend positief kan worden ingeschat.

De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard en heeft daarbij de overwegingen van gedaagde onderschreven.

In hoger beroep is door appellant, net als in eerste aanleg, betoogd dat hij er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om zijn vordering betaald te krijgen, maar dat gelet op de omstandigheid dat een concurrentiebeding van toepassing was, niet van hem geëist kon worden de lopende procedure voort te zetten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt op basis van de stukken vast dat de voortzetting van (een deel van) de activiteiten van [bedrijf 1] door [bedrijf 2] moet worden gekwalificeerd als een overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 van het BW. De vordering die appellant op [bedrijf 1] had diende hij derhalve op [bedrijf 2] te verhalen. Onder omstandigheden zou deze vordering, in het kader van hoofdstuk IV van de WW overgenomen kunnen worden door gedaagde. Echter, anders dan door partijen en de rechtbank blijkbaar wordt verondersteld, is er door de minnelijke schikking van 22 augustus 2000 geen vordering meer die door gedaagde kan worden overgenomen. Immers, met de minnelijke schikking hebben appellant en [bedrijf 2] elkaar over en weer finale kwijting verleend, tengevolge waarvan appellant geen aanspraken meer heeft ten opzichte van [bedrijf 2] of de rechtsvoorganger daarvan. De redenen om tot die minnelijke schikking te geraken zijn in dit verband niet van belang. Dat, zoals appellant stelt, betaling van de vordering niet op betrekkelijk eenvoudige wijze zou zijn te verwezenlijken - tot welke conclusie de Raad geen aanleiding ziet - kan om dezelfde reden evenmin een rol spelen. De aangevallen uitspraak komt derhalve onder verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.D.F. de Moor.