Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR5000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
02/5847 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat de Stichting GAOS professionele rechtsbijstand heeft verleend en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/5847 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. INLEIDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 mei 1998 heeft gedaagde de aan appellante toegekende WAO-uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1998 ingetrokken.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 november 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 18 oktober 2002 (reg.nr. WAO 99/174), het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Tegen die uitspraak heeft B.J. Terlouw, werkzaam bij de Stichting Gedupeerde Arbeids Ongeschiktheids Slachtoffers (hierna: GAOS), op bij beroepschrift van 20 november 2002 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij een op 17 maart 2004 ingekomen brief (met bijlagen) heeft de gemachtigde van appellante gereageerd op een door de Raad gestelde vraag. Bij schrijven van 27 april 2004 heeft gedaagde bericht geen aanleiding te zien voor een reactie op de inhoud van de door de gemachtigde van appellante ingediende stukken.

Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

Appellante heeft de aangevallen uitspraak uitsluitend bestreden voor zover de rechtbank een veroordeling tot vergoeding van proceskosten achterwege heeft gelaten.

Gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat appellante zich tot de Stichting GAOS heeft gewend voor juridische ondersteuning en voor deze beroepsmatig verleende ondersteuning de gebruikelijke tarieven heeft betaald.

De Raad is van oordeel dat de Stichting GAOS professionele rechtsbijstand heeft verleend aan appellante en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan appellante heeft toegekend.

De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep, welke kosten met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. De Raad acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.