Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
01/6456 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met inkomsten uit arbeid als zelfstandige.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005/21
USZ 2004/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6456 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 februari 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van

26 augustus 1999 waarbij de op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in verband met appellants inkomsten uit arbeid gedurende het vierde kwartaal van 1998 over die periode wordt uitbetaald als was sprake van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 7 november 2001, kenmerk 00/0349 WAO, het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2000 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. E.R.M. Holtz - Russel, advocaat te Groningen, namens appellant op bij aanvullend beroepschrift van 30 januari 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 mei 2002, ingediend.

Bij brief van 27 februari 2004 zijn namens appellant nog stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 maart 2004. Voor appellant is verschenen

mr. Holtz - Russel, voornoemd, en voor gedaagde mr. A.I. Damsma, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, aan wie per 30 mei 1987 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer is toegekend, heeft in 1998 inkomsten uit het verrichten van arbeid ontvangen. Het gaat daarbij om een door hem als zelfstandige gedurende het gehele jaar uitgeoefend videobedrijf waaruit hij inkomsten heeft verkregen die door gedaagde zijn toegerekend aan de 12 maanden van 1998. Voorts gaat het daarbij om een door hem als zelfstandige met ingang van het vierde kwartaal van 1998 geëxploiteerde kantine waaruit wat 1998 betreft inkomsten zijn ontvangen die door gedaagde met toepassing van artikel 44 van de WAO zijn toegerekend aan alleen dat vierde kwartaal met als uitvloeisel dat over dat ene kwartaal de WAO-uitkering aan appellant is uitbetaald als was sprake van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Appellant heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat zijn inkomsten als zelfstandige uit de exploitatie van de kantine dienen te worden berekend op jaarbasis. Dan bedraagt de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 81,3% en wordt aan toepassing van artikel 44 van de WAO niet toegekomen. Appellant heeft zich daarbij beroepen ten eerste op het gebruik bij gedaagde om de inkomsten van zelfstandigen - anders dan bij de maandelijkse inkomsten uit dienstbetrekking die op maandbasis worden geanticumuleerd - op jaarbasis te berekenen en ten tweede op het handboek GAK, met name waar daarin het ”Besluit beëindiging anticumulatie na drie jaar bij wisselende verdiensten” van het bestuur van het Lisv van

23 april 1997 (Stcrt. 1997, 86) deels is weergegeven.

Voorts heeft appellant betoogd dat het jegens hem niet behoorlijk is opeens een andere berekeningswijze te hanteren. In dat verband heeft hij zich erop beroepen dat jarenlang zijn inkomsten als zelfstandige uit zijn videobedrijf op jaarbasis zijn beoordeeld en hij er dus niet op heeft behoeven te rekenen dat ten aanzien van zijn inkomsten uit de door hem geëxploiteerde kantine ineens een andere werkwijze wordt gevolgd. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat de fiscus een ander standpunt hanteert door uit te gaan van de inkomsten op jaarbasis ook al zijn die inkomsten aan een bepaald deel van het fiscale jaar te relateren.

Tevens heeft appellant zich beroepen op de hem door de arbeidsdeskundige P. Langius gedane toezegging dat zijn inkomsten uit de exploitatie van de kantine geen gevolgen voor de WAO-uitkering aan hem zullen hebben, zolang die inkomsten niet meer dan f 16.000,-- (per jaar) zullen bedragen.

Gedaagde heeft ter zitting desgevraagd uiteengezet dat artikel 44 van de WAO dusdanig wordt toegepast dat inkomsten als zelfstandige worden berekend op jaarbasis, tenzij de inkomsten aan een afzonderlijk deel van het jaar zijn gerelateerd, in welk geval die inkomsten aan dat deel van het jaar worden toegerekend.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop staat dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige, als resultante van opbrengsten en kosten, op jaarbasis worden vastgesteld. Weliswaar is niet ondenkbaar dat er grond kan zijn om van deze hoofdregel af te wijken, maar dan verdient die afwijking wel een klemmende motivering. De Raad ziet onvoldoende grond om in dit geval een uitzondering als even bedoeld aan te nemen.

In dit verband is met name van belang dat appellant reeds sinds 1990 gedurende het gehele kalenderjaar als zelfstandige een videobedrijf uitoefent - eerst sinds 1994 met winst, zij het in een dusdanig bescheiden omvang dat de inkomsten uit dat bedrijf geen invloed hebben gehad op de hoogte van de WAO-uitkering aan hem - en in 1998 zijn activiteiten als zelfstandige heeft uitgebreid met de exploitatie van een kantine gedurende de wintermaanden oktober tot en met maart. Nu appellant reeds als zelfstandige werkzaam was, ligt het naar het oordeel van de Raad in de rede de uitbreiding van de activiteiten als zelfstandige niet op zichzelf te bezien, maar als onderdeel van het grotere geheel van als zelfstandige ondernomen activiteiten. Daaruit volgt dat die activiteiten moeten worden bezien op jaarbasis.

De Raad voegt hier nog aan toe, ziende naar het jaar 1999 en de daarop gevolgde jaren, waarin de exploitatie van de kantine zich over twee kwartalen (het eerste en het vierde) heeft uitgestrekt, dat de door gedaagde voorgestane kwartaalsgewijze toerekening ook praktisch niet goed uitvoerbaar is. Immers, op basis van de jegens de fiscus gepresenteerde cijfers is nu eenmaal niet te bepalen welk deel van het (jaar-)inkomen in het ene kwartaal en welk deel van het (jaar-)inkomen in het andere kwartaal is gegenereerd. De Raad acht het inconsequent om de in 1999 en daarop gevolgde jaren kennelijk niet bruikbare methode van kwartaalsgewijze toerekening wel te hanteren in 1998 om de enkele reden dat appellant in dat jaar

- per oktober - met de exploitatie van de kantine is gestart.

Appellants hoger beroep treft derhalve doel.

Aangezien niet in geschil is dat toerekening van alle inkomsten van appellant als zelfstandige aan het gehele jaar 1998 niet leidt tot fictieve indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die van 80% of meer, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 26 augustus 1999 alsnog gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De Raad achter termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten. Deze vergoeding wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 644,-- terzake van in beroep verleende rechtsbijstand en een gelijk bedrag ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van gedaagde van 18 februari 2000 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart voorts het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 26 augustus 1999 alsnog gegrond, herroept dat besluit en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van dat besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2004.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.