Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
03/3557 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling peiljaar van werkbeëindiging ten gevolge van causale psychische klachten.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3557 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 2 juni 2003, kenmerk JZ/U70/2003/375, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ‘s-Gravenhage, namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 23 maart 2004 nog een rapport van psychiater W. Postema ingezonden, waarop van de zijde van verweerster is gereageerd. Als antwoord hierop heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 27 augustus 2004 de reactie van psychiater J.L. van de Lande ingezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding bij de Raad bekend onder nr. 03/3560 WUBO, behandeld ter zitting van de Raad op 9 september 2004. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen, voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in beide zaken apart uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

Eiser, die is geboren [in] 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te komen voor toekenning van een periodieke uitkering.

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft verweerster eiser erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Op grond van het advies van de geneeskundig adviseur en de beschikbare medische gegevens is vastgesteld dat de psychische klachten van eiser voortvloeien uit de vervolging die hij heeft ondergaan. Op basis daarvan is vastgesteld dat eiser met ingang van 1 mei 2001, de eerste dag van de maand waarin zijn aanvraag is ingediend, in beginsel recht heeft op een periodieke uitkering. Aangezien eiser op het moment van invalidering geen beroep uitoefende waarin hij een inkomen verdiende dat hoger was dan de minimumgrondslag, is de grondslag van de periodieke uitkering vastgesteld op het wettelijk minimum van € 1.583,24 per maand. Omdat uit de verweerster ten dienste staande gegevens evenwel gebleken is dat de aanspraken van eiser op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 gunstiger zijn, is de aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet afgewezen.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat het moment van het invaliderend tot uiting komen van de psychische klachten van eiser niet op een eerder tijdstip dan 2001 kan worden vastgesteld. De overgelegde verklaring van de psychiater Van de Lande bood, in het licht van alle ten dienste staande gegevens, onvoldoende houvast om tot de conclusie te kunnen komen dat de werkbeëindiging van eiser in 1998 heeft plaatsgevonden als gevolg van de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten. Daarbij is van belang geacht dat er sprake was van een financiële regeling bij de werkbeëindiging in 1998, terwijl daarnaast nog is gebleken dat eiser in 1997 activiteiten heeft verricht die hij niet heeft gemeld en aan welke betekenis in het kader van zijn maatschappelijk functioneren in relatie tot zijn psychische klachten niet kan worden ontzegd.

In beroep is namens eiser - samengevat - aangevoerd dat in 1998 wel degelijk sprake is geweest van causale werkbeëindiging, zodat de grondslag had moeten worden bepaald aan de hand van het inkomen dat eiser destijds als eigenaar van zijn toenmalige reclamebedrijf genoot. In dit verband wordt verwezen naar de overgelegde verklaring van psychiater Van de Lande en het latere rapport van psychiater W. Postema, die de stelling inneemt dat reeds de werkbeëindiging bij het bedrijf in 1994 als causaal moet worden beschouwd.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt hij het volgende.

Het standpunt van verweerster dat het tijdstip van invalidering van eiser is te plaatsen in het jaar 2001 is gebaseerd op de overweging dat er geen objectieve medische gegevens zijn die wijzen op een eerdere invalidering. De Raad acht in de voorhanden medische stukken evenwel onvoldoende basis voor dit standpunt aanwezig. In het kader van de behandeling van de aanvraag is eiser op verzoek van de geneeskundig adviseur van verweerster op 3 december 2001 onderzocht door de arts J.H. Husken, die in zijn rapportage heeft geconcludeerd dat de causale ziekten en gebreken van eiser hebben geleid tot verminderd verdienvermogen/ blijvende invaliditeit vanaf 1998. De genees-kundig adviseur Windels zag evenwel onvoldoende objectieve gegevens over de werkbeëindiging in 1998, welk standpunt door verweerster in het besluit van 8 oktober 2002 is gevolgd. Uit het in het kader van de bezwaarschriftprocedure nader ingewonnen advies van de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, die beschikte over het rapport van Husken, alsmede over medische gegevens van de huisarts Kernebeek en rapportages van (de eiser al geruime tijd behandelende) psychiater Van de Lande, blijkt evenwel dat deze arts van oordeel is dat uit de gegevens naar voren komt dat er op grond van de causale psychische klachten sprake is van een verminderd verdienvermogen in het peiljaar 1998. Naar het oordeel van de Raad is met deze eenduidige medische gegevens objectief vastgesteld dat de werkbeëindiging ten gevolge van de causale psychische klachten in het peiljaar 1998 dient te worden gelegd. Dit betekent dat verweerster heeft gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Wet, nu zij bij de vaststelling van de grondslag van de periodieke uitkering niet van dit peiljaar is uitgegaan. Daarom kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden.

Gezien het vorenstaande dient het beroep dan ook gegrond te worden verklaard.

De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van eiser, die hij begroot op € 644,-- wegens kosten van rechtsbijstand en

€ 13,96 wegens reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Gelast dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het griffierecht van € 27,-- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser, groot € 657,96, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) A. de Gooijer.

HD

24.09