Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
03/2726 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van vervolgingsslachtoffers om een bijzondere voorziening in de kosten van verhuizing en herinrichting in verband met haar verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2726 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 mei 2003, kenmerk JZ/U70/2003/360, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 september 2004.

Daar is eiseres in persoon verschenen met bijstand van mr. Bierenbroodspot voornoemd als haar raadsvrouw, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1950, is met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de psychische klachten van eiseres in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van haar vader.

Bij vervolgaanvraag van augustus 2001 heeft eiseres verzocht om een bijzondere voorziening in de kosten van verhuizing en herinrichting in verband met haar verhuizing van Amsterdam Zuidoost naar [woonplaats]. Blijkens het terzake opgemaakte sociaal rapport heeft eiseres als redenen voor verhuizing aangegeven, dat deze verhuizing de vervulling is van een al jarenlang gekoesterde wens welke is ingegeven door de omstandigheid dat een groot deel van haar maatschappelijk leven zich al vele jaren in die plaats afspeelt vanwege de daar aanwezige joodse gemeenschap met bijbehorende voorzieningen. Tevens is aangegeven dat de voorziening door niemand is voorgeschreven maar wel toegejuicht en ondersteund wordt door de haar behandelend therapeut E.J. van der Leeuw bij het Sinai Centrum en door haar huisarts.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 april 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Dienaangaande is overwogen dat niet kan worden aangenomen dat op grond van de aanvaarde psychische klachten een medische dan wel medisch sociale indicatie bestond voor verhuizing, in het bijzonder in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat de verhuizing door de behandelende sector werd voorgeschreven.

In bezwaar en beroep is namens eiseres aangevoerd dat een verhuizing naar [woonplaats] steeds gespreksonderwerp bij de therapie is geweest maar dat die verhuizing door de strenge huisvestingsregels tot voor kort nooit uitvoerbaar is gebleken. Ter ondersteuning van haar visie dat wel degelijk sprake is geweest van een door de behandelende sector tijdens de therapie steeds uitgedragen indicatie voor verhuizing zijn verklaringen overgelegd van de therapeut Van der Leeuw voornoemd. Voorts is erop gewezen dat in de over eiseres in de voorbije jaren in het kader van de Wet opgemaakte rapporten consistent naar voren komt dat eiseres zich in Amsterdam Zuidoost reeds lang niet thuis voelde.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster dat geen sprake was van een medische noodzaak tot verhuizen op grond van psychische klachten, in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. In deze adviezen, die berusten op het geheel van de bij verweerster in verband met eerdere aanvragen voorhanden medische gegevens zoals aangevuld op basis van een onderzoek door de geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager op 21 maart 2002 en recente informatie uit de behandelende sector, is aangegeven dat het op grond van de aanwezige medische gegevens niet mogelijk is om tot een medische noodzaak dan wel een medisch-sociale wenselijkheid om te verhuizen te concluderen.

De Raad acht het bestreden besluit, wat betreft dit onderdeel, op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om de door verweerster gevolgde medische visie onjuist te oordelen.

Ook de Raad kan uit die gegevens slechts afleiden - mede gelet op hetgeen door eiseres blijkens het over de onderhavige aanvraag opgemaakte sociaal rapport is verklaard - dat een mogelijke verhuizing naar [woonplaats] tijdens de behandeling van eiseres in het Sinai Centrum wel steeds ter sprake is geweest, maar niet dat toen door de behandelend therapeut duidelijk is aangegeven dat het voor eiseres uit oogpunt van haar geestelijke gezondheid, vanwege een reƫle vrees voor psychische decompensatie, noodzakelijk was om Amsterdam Zuidoost te verlaten en naar [woonplaats] te verhuizen. De Raad kan voorts billijken dat de achteraf, blijkens de medische rapportage, wel geconstateerde gunstige effecten van de verhuizing voor de psychische gezondheid van eiseres en de achteraf terzake van de verhuizing door de behandelend therapeut verstrekte verklaringen door verweerster niet als voldoende ondersteuning van een directe medische noodzaak in de zin van artikel 20 van de Wet zijn aangemerkt.

De Raad heeft het bestreden besluit vervolgens te toetsen aan het bepaalde in artikel 21 van de Wet, waarin aan verweerster de bevoegdheid is gegeven om in de ten laste van de vervolgde blijvende kosten van voorzieningen ter verbetering van de levensomstandig-heden een tegemoetkoming te verlenen. De wijze waarop verweerster van een dergelijke bevoegdheid gebruik maakt, kan door de Raad slechts met terughoudendheid worden getoetst.

Gezien de hiervoor weergegeven omstandigheden betreffende de verhuizing naar [woonplaats], ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat verweersters besluit om van haar bevoegdheid hier geen gebruik te maken deze toetsing niet kan doorstaan.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) A. de Gooijer.

HD

24.09