Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
02/4717 WAO en 02/4718 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten om onder toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO betrokkene in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, omdat de (fictieve) mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongeveer 50% bedroeg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4717 WAO en 02/4718 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 augustus 2002, nrs. Awb 99/614 WAO en Awb 00/219 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Brouwer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.R. Bos, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft met ingang van 1 december 1976 aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant verricht sindsdien regelmatig vertaalwerkzaamheden.

Bij besluit van 4 december 1998 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat zijn inkomsten uit arbeid in 1996 ongeveer 50% bedroegen van zijn maatmaninkomen, zodat besloten is de toegekende uitkeringen onder toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO vanaf die datum uit te betalen alsof hij was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, omdat de (fictieve) mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongeveer 50% bedroeg. Uit de aan dit besluit ten grondslag liggende stukken blijkt dat appellant in 1996 inkomsten uit vertaalwerk heeft ontvangen en dat zijn winst uit die werkzaamheden door de belastingdienst is vastgesteld op

f 20.182,-, waarbij appellant als “zelfstandige” is aangemerkt. Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft op dit bedrag vervolgens nog de overhevelingstoeslag en enige beroepskosten in mindering gebracht, waarna het inkomen van appellant in 1996 is vastgesteld op f 1.485,06 per maand.

Bij beslissing op bezwaar van 19 mei 1999 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 4 december 1998 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat auteursrechten die deels betrekking hebben op in het verleden verrichte arbeid in aanmerking mogen worden genomen bij de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO. Voorts heeft gedaagde verwezen naar jurisprudentie van de Raad waarin is beslist dat gedaagde bij de vaststelling van het inkomen van de betrokkene uit mag gaan van de gegevens zoals die aan de fiscus zijn gepresenteerd.

Bij besluit van 25 februari 2000 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde zijn besluit van

4 oktober 1999 gehandhaafd, waarbij de onverschuldigd aan appellant betaalde uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO over het tijdvak van 1 augustus 1996 tot

1 januari 1997 tot een bedrag van f 3.454,84 van hem worden teruggevorderd. Daarbij is door gedaagde overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Voorts heeft gedaagde het aanbod van appellant, tot verrekening van de schuld middels inhoudingen van f 75,- per maand, geaccepteerd, waarbij is opgemerkt dat tevens de gereserveerde vakantietoeslag ter verrekening aangewend zal worden. Bij nader besluit van 10 mei 2000 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde besluit 2 in die zin herzien, dat vanaf 1 maart 2000 een bedrag van f 88,75 per maand met de lopende uitkering verrekend zal worden.

De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat een deel van de inkomsten van appellant in 1996 geen betrekking heeft op dat jaar, zodat die inkomsten niet bij de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO meegenomen dienen te worden. Verder is aangevoerd dat het van het Fonds voor de Letteren ontvangen bedrag ad f 9.600,- niet aan 1996 toegerekend kan worden, omdat het eerst in 1997 is ontvangen. Ten slotte is de hoogte van de terugvordering betwist en is aangevoerd dat bij de vaststelling van de beslagvrije voet geen rekening is gehouden met de kosten die appellant moet maken voor kuurreizen en zijn dagelijkse verzorging.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in hoger beroep allereerst in geschil of gedaagde de hoogte van de inkomsten van appellant uit arbeid in 1996 voor de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO juist heeft vastgesteld op f 1.485,06 per maand.

De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat deze inkomsten van appellant uit arbeid zijn verkregen. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant door de belastingdienst gedurende het jaar 1996 als zelfstandige is aangemerkt, hetgeen er mede toe heeft geleid dat op zijn inkomsten diverse kosten en fiscale kortingen in mindering zijn gebracht. In zijn jurisprudentie heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat voor het begrip inkomsten uit arbeid in geval van zelfstandige bedrijfsuitoefening in beginsel dient te worden uitgegaan van de netto-winst zoals deze door de fiscus is aanvaard.

De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant over het jaar 1996 aan de belastingdienst een winst uit onderneming heeft opgegeven van f 20.182,-, welk bedrag door de belastingdienst uiteindelijk ook als winstbedrag is geaccepteerd. In de lijn van de hiervoor bedoelde jurisprudentie van de Raad volgt hieruit dat de aan de orde zijnde inkomsten van appellant overeenkomstig de door hem gemaakte fiscale keuze in beginsel als inkomsten uit arbeid dienen te worden beschouwd. Zulks is slechts anders indien sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de fiscale keuze van appellant niet tot uitgangspunt genomen kan worden bij de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende grond bestaat om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin. Ten aanzien van de in 1996 ontvangen bedragen die betrekking zouden hebben op deels vóór 1996 verrichte werkzaamheden merkt de Raad in dit verband op dat al eerder is geoordeeld dat dergelijke inkomsten (royalties) toegerekend dienen te worden aan het jaar waarin zij zijn toegekend en uitgekeerd. Daarbij is mede van belang dat het hier gaat om inkomsten die verband houden met de min of meer continue activiteiten van appellant als vertaler, die hij gedurende diverse jaren heeft ontplooid en die ten tijde hier van belang nog voortduurden. Het feit dat deze inkomsten voor de toepassing van de Algemene bijstandswet niet (volledig) zijn aangemerkt als inkomsten in 1996 vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, aangezien voor de toepassing van die wet -anders dan voor de AAW en de WAO- bepalend is of de inkomsten betrekking hebben op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan.

Ten aanzien van de werkbeurs van het Fonds voor de Letteren van f 9.600,- stelt de Raad vast dat deze beurs betrekking heeft op een door appellant te verrichten opdracht in de maanden november en december 1996 en dat die beurs eerst op 23 januari 1997 is overgemaakt op een bankrekening van appellant. Door of namens appellant is deze beurs aan de fiscus opgegeven als een opbrengst uit onderneming in 1996. Voorts is tijdens een door appellant gevoerde bezwaarprocedure over de vaststelling van de hoogte van zijn winst uit onderneming in 1996 niet aangevoerd dat deze werkbeurs niet tot het inkomen over 1996 gerekend dient te worden. Ook nadien heeft appellant kennelijk geen enkele poging ondernomen om de vaststelling van de hoogte van zijn winst uit onderneming over 1996 te (laten) herzien door de fiscale autoriteiten. Ten slotte kan naar ´s Raads oordeel niet gezegd worden dat de fiscale keuze van appellant ten aanzien van de werkbeurs duidelijk onjuist was.

Nu namens appellant de vaststelling van zijn inkomsten uit arbeid in 1996 voor het overige niet is betwist, leidt het hiervoor overwogene tot de slotsom dat gedaagde de inkomsten uit arbeid van appellant voor de toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO over 1996 terecht heeft vastgesteld op f 1.485,06 per maand en dat terecht is besloten de toegekende uitkeringen onder toepassing van voornoemde artikelen gedurende het jaar 1996 uit te betalen alsof appellant was ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Het hoger beroep voorzover betrekking hebbend op besluit 1 kan derhalve niet slagen.

Ten aanzien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen stelt de Raad voorop dat, nu uit het vorenstaande blijkt dat besluit 1 in rechte stand kan houden, geconcludeerd moet worden dat gedaagde de hoogte van het onverschuldigd betaalde bedrag aan uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO juist heeft vastgesteld op

f 3.454,84. Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde ingevolge de artikelen 48 van de AAW en 57 van de WAO, zoals deze bepalingen luiden vanaf 1 augustus 1996, gehouden is hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Uit deze bepalingen volgt verder dat op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de -financiële en/of sociale- gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat zijn beroep op een dringende reden om van terugvordering af te zien faalt.

Ten aanzien van de hoogte van het bedrag van de maandelijkse verrekening ad f 88,75 is de Raad van oordeel dat op grond van hetgeen namens appellant daaromtrent is aangevoerd niet geconcludeerd kan worden dat gedaagde de in 2000 voor appellant geldende beslagvrije voet onjuist heeft vastgesteld. Daarbij acht de Raad van belang dat door of namens appellant geen bewijsstukken zijn overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat op de datum in geding sprake was van meer of andere kosten, waarmee gedaagde rekening had moeten houden bij de vaststelling van de hoogte van het maandelijks in te vorderen bedrag. Ook het hoger beroep voorzover betrekking hebbend op de besluiten 2 en 3 kan derhalve niet slagen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.J.B. van der Putten.

RG