Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
03/2638 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting WW-uitkering op grond van de overweging dat in onvoldoende mate is getracht passende arbeid te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/2638 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 10 april 2003, nr. WW 02/1401 KRD, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 september 2004, waarbij voor appellant is verschenen mr. D. Matadien, kantoorgenoot van mr. Nasrullah voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.C. Maaswinkel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het voorliggende geschil.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 24 april 2002 terecht en op goede gronden het besluit van 10 oktober 2001 heeft gehandhaafd, bij welk besluit appellants WW-uitkering met ingang van 8 oktober 2001 gedurende 16 weken met 20% is verlaagd op grond van de overweging dat appellant in de periode van 10 september 2001 tot en met 7 oktober 2001 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Ook de Raad stelt vast dat appellant zich in de desbetreffende periode bij dezelfde uitzendbureaus als in voorgaande perioden heeft in laten schrijven. De inspanningen die appellant heeft verricht zijn onvoldoende concreet om als daadwerkelijke sollicitatie aan te merken. Dat voor appellant geen passend werk te vinden zou zijn of dat de mogelijkheid om een arbeidsplaats te verwerven louter hypothetisch zou zijn, is de Raad tenslotte niet gebleken. De Raad heeft in de omstandigheden van het geval geen reden gezien om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.D.F. de Moor.