Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
01-11-2004
Zaaknummer
02/3126 AW + 02/3463 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten dat betrokkene recht heeft op een ziekte-uitkering maar dat op grond van artikel 40 van het BZA de ziekte-uitkering vervalt wegens te late aanvraag van de uitkering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3126 AW + 02/3463 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierna: de Minister,

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Ieder van partijen heeft op bij (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep laten instellen tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 mei 2002, nr. Awb 01/1118, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Ieder van partijen heeft een verweerschrift laten indienen. Namens betrokkene is op het verweerschrift van de Minister gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 september 2004, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. F.E.R.M. Lathouwers, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 augustus 1995 in vaste dienst aangesteld als leraar bij het openbaar basisonderwijs van de gemeente Vianen. In de periode van 1 augustus 1995 tot en met 31 juli 1996 is haar taak tijdelijk uitgebreid geweest. Met ingang van 1 augustus 1996 is deze tijdelijke taakuitbreiding beëindigd. Omdat betrokkene inmiddels op 19 oktober 1995 wegens ziekte arbeidsongeschikt was geworden en deze arbeidsongeschiktheid nog (gedeeltelijk) voortduurde, vroeg zij per 1 augustus 1996 een ziekte-uitkering aan. Deze aanvraag is bij besluit van 18 maart 1997 afgewezen op grond van artikel 39, eerste lid, van het destijds zo geheten tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA). Na gemaakt bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 1997. De Raad heeft dit besluit bij zijn uitspraak van 26 april 2001, nr. 99/211 AW, vernietigd, met opdracht aan de Minister om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Kort weergegeven was de Raad van oordeel dat de Minister ten onrechte de opvatting had gehuldigd dat belanghebbenden met een tijdelijke taakuitbreiding geen aanspraak hadden op een ziekte-uitkering op grond van artikel 39, eerste lid, van het BZA.

1.2. Ter uitvoering van de in 1.1. genoemde uitspraak van de Raad heeft de Minister bij besluit van 1 juni 2001 (hierna: besluit 1) het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het weigeringsbesluit van 18 maart 1997 herroepen en meegedeeld dat de aanvraag opnieuw in behandeling zal worden genomen.

Vervolgens heeft de Minister bij besluit van 26 juni 2001 (hierna: besluit 2) vastgesteld dat betrokkene recht heeft op een ziekte-uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot uiterlijk 1 mei 1997, maar dat op grond van artikel 40 van het BZA de ziekte-uitkering vervalt over de periode van 1 augustus 1996 tot 16 december 1996 wegens te late aanvraag van de uitkering. Dit besluit is na gemaakt bezwaar bij besluit van 30 oktober 2001 (hierna: besluit 3) gehandhaafd.

1.3. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank handelde de Minister in strijd met het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), door bij besluit 1 het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen en pas later, bij besluit 2, een nieuwe inhoudelijke beslissing te geven. De rechtbank verbond evenwel geen gevolgen aan deze handelwijze, nu betrokkene zich daartegen niet had verzet en niet in haar belangen was geschaad. Wel zag de rechtbank aanleiding een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van betrokkene en vergoeding te gelasten van het door haar betaalde griffierecht, omdat betrokkene als gevolg van de gebrekkige gang van zaken ten onrechte een extra rechtsgang had doorlopen.

Met betrekking tot de late aanvraag om ziekte-uitkering overwoog de rechtbank dat het de Minister vrij stond zich alsnog op de overschrijding van de aanvraagtermijn te beroepen, alsmede dat het op de weg van betrokkene lag om aan te tonen dat de aanvraag eerder was gedaan en ontvangen dan de Minister heeft gesteld. Nu zij daar niet in was geslaagd, diende dit voor haar risico te blijven en was de ziekte-uitkering terecht vervallen verklaard.

2.1. Het hoger beroep van de Minister heeft betrekking op de proceskostenveroordeling en de last tot vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht. Naar zijn mening is die veroordeling in strijd met de vaste jurisprudentie van de Raad dat een veroordeling in de proceskosten in beginsel niet plaatsvindt in geval van ongegrondverklaring van een beroep. Daarbij stelt de Minister zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister in strijd met de Awb heeft gehandeld. Naar de mening van de Minister dient besluit 2 als een nieuw, op zichzelf staand besluit aangemerkt te worden waartegen eerst bezwaar dient te worden gemaakt.

2.2. Het beroep van betrokkene richt zich tegen de vervallenverklaring van de ziekte-uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot 16 december 1996. Zij is van mening dat de Minister, nadat hij eerst ten onrechte op een andere grond de uitkering had geweigerd, de uitkering niet gedeeltelijk vervallen had mogen verklaren op de grond dat de aanvraag te laat was ingediend. Betrokkene acht het in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat de Minister thans een weigeringsgrond hanteert die hij destijds niet heeft aangevoerd en stelt zich op het standpunt dat zij door de handelwijze van de Minister en het daardoor opgetreden tijdsverloop in een nadeliger bewijspositie is gekomen. Betrokkene handhaaft haar stelling dat zij de ziekte-uitkering tijdig, althans eerder dan de Minister stelt, heeft aangevraagd. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij ter zitting een brief overgelegd van de arbo-begeleider van Commit ARBO van 27 januari 1997.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Bij zijn in 1.1. genoemde uitspraak van 26 april 2001 heeft de Raad de Minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Artikel 7:11, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroept en voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Door bij besluit 1 de gegrondverklaring van het bezwaar niet gepaard te doen gaan met een nader, voor beroep bij de rechtbank vatbaar, inhoudelijk besluit, heeft de Minister in strijd gehandeld met het bepaalde in voornoemd artikellid. Anders dan de Minister heeft betoogd kan voorts besluit 2, waarbij de ziekte-uitkering is toegekend doch voor een deel vervallen is verklaard, niet gezien worden als een nieuw zelfstandig primair besluit. Besluit 2 behelst immers de nieuwe beslissing op de aanvraag om ziekteuitkering, welke beslissing in de plaats treedt van het herroepen primaire besluit van 18 maart 1997. Tegen besluit 2 stond derhalve niet opnieuw bezwaar open. Ten onrechte is bij besluit 3 inhoudelijk op het niettemin gemaakte bezwaar beslist.

3.2. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat besluit 1 wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt, voorzover de Minister niet een nieuw besluit in de plaats heeft gesteld van het herroepen besluit. Ook besluit 3 kan niet in stand blijven, evenmin als de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de rechtbank de besluiten 1 en 3 in stand heeft gelaten. In hoger beroep dienen alsnog de besluiten 1 en 3 tezamen als door betrokkene in beroep bestreden besluit te worden aangemerkt. Daarbij zal besluit 2 worden gelezen in samenhang met de overwegingen die aan besluit 3 ten grondslag zijn gelegd.

3.3. In de vernietiging van de genoemde besluiten vindt de Raad, zij het op andere gronden dan de rechtbank in eerste aanleg heeft aangenomen, aanleiding tot een proceskostenveroordeling en een last tot vergoeding van het betaalde griffierecht in eerste aanleg. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen met uitzondering van de bepalingen inzake de vergoeding van griffierecht en de proceskosten. Het hoger beroep van de Minister slaagt daarmee niet. In de vernietiging van de bestreden besluiten vindt de Raad op grond van artikel 8:75 Awb tevens aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

3.4. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de bestreden besluiten voor het overige wel in rechte stand houden.

3.4.1. Voorop stelt de Raad dat hij met de rechtbank van oordeel is dat het de Minister in beginsel vrij stond zich bij de nadere besluitvorming ter uitvoering van de in 1.1. genoemde uitspraak alsnog te beroepen op de te late aanvraag. Niet kan worden gezegd dat de Minister deze (gedeeltelijke) weigeringsgrond had prijsgegeven.

3.4.2. Op grond van artikel 40 van het BZA had betrokkene binnen 7 dagen na de beëindiging van haar taakuitbreiding op

1 augustus 1996, bij de Minister een aanvraag om uitkering ingevolge het BZA moeten indienen. Volgens die bepaling vervalt bij overschrijding van deze termijn de aanspraak op uitkering gedurende het aantal dagen van deze overschrijding, tenzij wordt aangetoond dat de aanvrager redelijkerwijs niet in staat is geweest die termijn in acht te nemen.

3.4.3. Uit de stukken blijkt dat op het door betrokkene ingevulde aanvraagformulier, dat gedateerd is op 30 september 1996, een datumstempel is afgedrukt waaruit blijkt dat de Minister het formulier op 23 december 1996 heeft ontvangen. De Minister heeft onder verwijzing naar interne registratieprocedures gemotiveerd uiteengezet dat het praktisch uitgesloten moet worden geacht dat hij het aanvraagformulier vóór die datum heeft ontvangen. Onder die omstandigheid is het aan betrokkene om aan te tonen dat de Minister het aanvraagformulier eerder heeft ontvangen dan uit het datumstempel blijkt.

3.4.4. De Raad is van oordeel dat betrokkene daar niet in is geslaagd. Hoewel de stelling dat zij, gelet op de datering, het aanvraagformulier op of kort na 30 september 1996 moet hebben verzonden, op zichzelf verdedigbaar is, heeft betrokkene daarvan geen bewijs kunnen overleggen. Niet is gebleken dat zij tussen 30 september 1996 en 23 december 1996 bij het uitvoeringsorgaan nadere informatie heeft ingewonnen over de stand van zaken met betrekking tot de aanvraag, hetgeen voor de hand zou hebben gelegen, aangezien een beslissing uitbleef. De door betrokkene ter zitting overgelegde brief maakt, gelet op de datering 27 januari 1997 in combinatie met de mededeling dat op die datum de arbo-begeleider een bezoek aan betrokkene heeft gebracht, een ontvangst op 23 december 1996 aannemelijker dan een ontvangst op of kort na

30 september 1996.

3.4.5. Gezien het voorgaande acht de Raad het voorts niet aannemelijk dat betrokkene door de geruime tijd die is verstreken tussen de oorspronkelijke weigering in 1997 en de thans bestreden besluiten in een meer nadelige bewijspositie is gebracht dan waarin zij zou hebben verkeerd wanneer de Minister van meet af aan de juiste beslissing had genomen.

3.4.6. Aangenomen moet dus worden dat de Minister de aanvraag op 23 december 1996 heeft ontvangen. Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 40 van het BZA kwam hem niet de vrijheid toe de toepassing van het daarin vervatte voorschrift achterwege te laten en heeft hij terecht de ziekte-uitkering vervallen verklaard over het aantal dagen waarmee de termijn van zeven dagen is overschreden.

Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht;

Vernietigt besluit 1 voorzover daarbij niet een nieuwe beslissing in de plaats is gesteld van het herroepen besluit, alsmede besluit 3;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 voor het overige, alsmede het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht wordt geheven van €409,-.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.