Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
02/6459 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 8
USZ 2005/9 met annotatie van A. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/6459 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is mr. I.E. Elgersma, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zutphen op 18 november 2002 onder nummer 01/1503 WWCON 58 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep van appellante tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 12 november 2001 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2004, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Elgersma voornoemd en waar voor gedaagde is verschenen G.J. Wubs-Postma, medewerker bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante was sinds 1996 werkzaam als administratief medewerkster in het VU-ziekenhuis te Amsterdam. Zij woonde in Amstelveen. In verband met een verandering van de werkkring van haar echtgenoot, is door het echtpaar een woning in [woonplaats] gekocht. De levering van de woning vond plaats op 1 augustus 2001. Na een verbouwing is het gezin op

1 oktober 2001 naar [woonplaats] verhuisd. Met het oog op de aanstaande verhuizing heeft appellante op 11 april 2001 haar baan per 1 augustus 2001 opgezegd.

Op 11 juli 2001 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 18 september 2001 heeft gedaagde de uitkering blijvend geheel geweigerd onder de overweging dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden.

Bij het thans bestreden besluit heeft gedaagde dat standpunt gehandhaafd. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat appellante de bestaande dienstbetrekking niet zo lang mogelijk heeft voortgezet nu zij het dienstverband per 1 augustus 2001 had beëindigd en eerst twee maanden nadien, te weten 1 oktober 2001, is verhuisd.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven en geoordeeld dat door appellante niet voldaan werd aan de in de jurisprudentie gestelde voorwaarde dat het bestaande dienstverband zo lang mogelijk wordt voortgezet. Met gedaagde achtte de rechtbank geen redenen aanwezig die zouden moeten leiden tot het oordeel dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Tenslotte was de rechtbank van oordeel dat de situatie waarin appellante zich bevond, niet een vergelijkbare situatie was als aan de orde in de uitspraak van de Raad van 13 september 2000

(RSV 2001/5).

Appellante heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat de uitspraak van de Raad van 13 september 2000 ook in het onderhavige geval van toepassing is omdat er evenals bij een voortijdige ontslagname uit een dienstverband voor bepaalde tijd – ondanks het feit dat appellante ontslag heeft genomen uit een dienstverband voor onbepaalde tijd – een aanwijsbaar moment is waarop geen sprake kan zijn van enige verwijtbaarheid met betrekking tot die ontslagname. Appellante wijst er voorts op dat zij er tijdens een bespreking in het kader van haar WW-aanvraag niet op is gewezen dat zij werd geacht om binnen een maand na haar ontslagname te verhuizen. Appellante wijst er op dat ook de beoordelaar van de aanvraag haar daar op had kunnen wijzen. Aldus is zij niet in de gelegenheid gesteld om de omissie te herstellen.

Gedaagde heeft in hoger beroep gesteld dat de weigering slechts is gebaseerd op het feit dat appellante te vroeg ontslag heeft genomen en dat aan een beoordeling van de overige elementen die een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van enige verwijtbaarheid bij een verhuizing in verband met een baanwisseling van een partner niet meer is toegekomen.

De Raad overweegt als volgt.

In zijn uitspraak van 6 december 2000 (RSV 2001/62) heeft de Raad geoordeeld dat het spoort met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW dat deze bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat er in beginsel geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, indien aannemelijk is dat met een baanwisseling een aanwijsbaar en reëel belang wordt gediend en mits tevens is voldaan aan (ten minste) de voorwaarden dat de bestaande dienstbetrekking zo lang mogelijk is voortgezet en dat heen en weer reizen redelijkerwijs onmogelijk is. Gedaagde heeft naar aanleiding van deze uitspraak een beleid geformuleerd waarin onder meer is vastgelegd dat wordt aangenomen dat de dienstbetrekking zo lang mogelijk wordt voortgezet indien de datum van het einde van de dienstbetrekking niet meer dan 1 maand voor de verhuisdatum ligt. Daarbij is tevens aangegeven dat indien dit niet het geval is, nader onderzoek is vereist. Gedaagde heeft, gelet op dit beleid, geconstateerd dat de verhuizing van appellante meer dan één maand na de opzegdatum lag en heeft daaruit geconcludeerd dat niet was voldaan aan het in het hiervoor weergegeven beleid neergelegde vereiste dat de dienstbetrekking zo lang mogelijk is voortgezet. Naar ter zitting is gebleken, en in afwijking van de letterlijke bewoordingen van het bestreden besluit, heeft gedaagde zich bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid beperkt tot de vraag naar de lengte van de periode tussen de ontslagdatum en het moment van de verhuizing. De redenen die appellante voor de ontslagdatum heeft aangevoerd heeft gedaagde niet meer in verband willen brengen met die verhuizing, omdat naar de mening van gedaagde, de verhuizing, gelet op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking, daar geen relatie meer mee heeft.

De Raad onderschrijft dit standpunt niet. Uit de stellingen van appellante is zonder meer af te leiden dat de reden voor haar ontslagname gelegen is in de verhuizing. Dit brengt mee dat gedaagde alle feiten en omstandigheden die in dit verband een rol spelen, bij de beoordeling van de eventuele verwijtbaarheid van de werkloosheid dient te betrekken, hetgeen in ieder geval betekent dat, overeenkomstig de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Raad, eveneens bezien had moeten worden of met de baanwisseling een aantoonbaar en reëel belang werd gediend en of heen en weer reizen redelijkerwijs onmogelijk was geworden. De vraag of de dienstbetrekking te vroeg is beëindigd kan immers eerst voldoende zorgvuldig worden beantwoord indien voldoende duidelijkheid ten aanzien van de voorliggende vragen is verkregen en kan niet los worden gezien van de beweegredenen om de dienstbetrekking te beëindigen. Daarbij wijst de Raad er op dat de gehanteerde richtlijn van een maand als periode tussen beëindiging van de dienstbetrekking en de verhuizing op zich niet onredelijk is maar dat deze termijn onder omstandigheden ook anders bepaald zou moeten worden. Het is voorts om deze redenen dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een geval als het onderhavige, niet vergelijkbaar is met het geval dat aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 13 september 2000 (RSV 2001/5), niet alleen omdat het in die zaak, anders dan in het voorliggende geval, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betrof die voortijdig door de werknemer werd beëindigd, maar ook omdat in de onderhavige zaak niet zonder meer vaststaat tot op welk moment het laten voortbestaan van de dienstbetrekking redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd. Er bestaat derhalve in het onderhavige geval geen aanleiding om de maatregel op grond van de benadelingshandeling bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW te doen prevaleren boven de maatregel gebaseerd op de verwijtbare werkloosheid overeenkomstig artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, juncto artikel 27, eerste lid, van de WW. De Raad benadrukt daarbij voorts nog, zoals hij dat inmiddels ook reeds in een aantal andere uitspraken heeft gedaan, dat de situatie waarin het aangewezen moet worden geacht dat wel te doen een uitzonderlijke is en daartoe ook slechts in bijzondere omstandigheden gehoudenheid bestaat.

Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal voorts met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Indien gedaagde daarbij tot de conclusie komt dat met de verhuizing een reëel en aanwijsbaar belang werd gediend en dat het heen en weer reizen redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd, zal het feit dat zij de dienstbetrekking te vroeg heeft beëindigd, gelet op de evenredigheid van de op te leggen maatregel, mee kunnen brengen dat die te vroege beëindiging haar niet in overwegende mate kan worden verweten. Voorts zal gedaagde het verzoek van appellante tot vergoeding van renteschade in de besluitvorming dienen te betrekken.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen aan appellante door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van in totaal € 109,23

(f. 60,-- + € 82,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.