Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
28-10-2004
Zaaknummer
02/2330 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WW-uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd op de grond dat betrokkene heeft nagelaten passende arbeid te behouden hoewel dat van hem wel verlangd had mogen worden. Zwaarte opgelegde maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2330 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. J. Nederlof, advocaat te Venlo, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de onder dagtekening

12 maart 2002 tussen partijen, onder reg.nr 01/1016 WW, gewezen uitspraak van de rechtbank Roermond, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nederlof, voornoemd, als zijn raadsman en door zijn dochter als tolk. Gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant, geboren in 1956, heeft vanaf 4 oktober 1976 als machinebediende gewerkt in dienst van Egidius Janssen NV. Aan dat dienstverband kwam een einde wegens het faillissement van de werkgever. Aan appellant is ingaande 15 december 1999 een loongerelateerde en vervolguitkering krachtens de WW toegekend. Van januari tot eind augustus 2000 heeft hij in verband met buik- en beenklachten ziekengeld ontvangen. De WW-uitkering is daarna voortgezet.

Sedert zijn inschrijving bij het arbeidsbureau op 5 november 1999 is appellant niet verwezen naar enige werkgever. Hij heeft op eigen initiatief bij KDN/Lafarge Roofing te Tegelen (hierna: KDN) gesolliciteerd en is daar aangenomen in 2-ploegendienst voor 2 à 3 maanden, met dien verstande dat plaatsing via het uitzendbureau Randstad gebeurde. Appellant is daar vanaf 12 februari 2001 twee volle dagen werkzaam geweest aan de scheur-, klank- en kleurcontrole van op transportbanden liggende dakpannen. In de loop van de derde dag heeft appellant zich ziek gemeld en is hij naar huis gegaan. Hij is nadien niet meer voor werk bij KDN opgeroepen. Na ontvangst van het tussenrapport d.d. 20 februari 2001 van Kliq, welke organisatie appellant in het kader van ‘100 kansen naar werk’ begeleidde, waarin vermeld is dat appellant op eigen initiatief met zijn werk is gestopt, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde appellant bij besluit van 17 april 2001 ervan in kennis gesteld dat hem met ingang van 16 februari 2001 WW-uitkering blijvend geheel is geweigerd op de grond dat hij heeft nagelaten passende arbeid te behouden hoewel dat van hem wel verlangd had mogen worden.

Bij het op bezwaar gegeven besluit van 1 augustus 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde dat standpunt gehandhaafd. Gedaagde stelt dat appellant werkloos is gebleven doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog daartoe dat het werk bij KDN gezien het arbeidsverleden en de opleiding van appellant passend was en dat haar niet is gebleken dat de lichamelijk klachten van appellant dusdanig ernstig waren dat hij het werk al na 2 ½ dag moest stoppen. Volgens de rechtbank blijkt uit de verklaringen van de [medewerker 2] van de werkgever en van de intercedente van Randstad een ongemotiveerd en onverantwoordelijk gedrag ten opzichte van de door appellant te verrichten arbeid. Volgens de rechtbank is deze houding de werkelijke reden voor appellants ontslag geweest.

In hoger beroep betwist appellant dat hij ongemotiveerd en onverantwoordelijk gedrag ten toon heeft gespreid. Appellant stelt dat hij als gevolg van het controleren van de voorbij komende dakpannen en de warme werkomgeving hoofdpijn kreeg en misselijk werd. Hij kreeg van KDN toestemming om de werkvloer te verlaten. Hij verwijst naar de verklaring van [naam hoofd productie], hoofd productie van KDN, en naar de verklaring van zijn huisarts J.M. Tolk.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank is de Raad tot het oordeel gekomen dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Dat het werk niet passend was wegens lichamelijke bezwaren is van de zijde van appellant onvoldoende onderbouwd. Ook de verklaring van de huisarts, waaruit blijkt dat appellant zich regelmatig bij hem met hoofdpijnklachten heeft vervoegd, dwingt niet tot die conclusie. Verder moet het aan het gedrag van appellant worden geweten dat KDN hem niet meer heeft opgeroepen. Uit de in de fase van de bezwaarprocedure opgemaakte rapporten blijkt genoegzaam dat appellant zich in de korte tijd dat hij werkzaam was, regelmatig heeft beklaagd over de aard van het werk, dat het bij zijn vroegere werkgever anders ging en dat hij gek werd van de voorbij komende pannen. Door KDN werd appellant daardoor een ongemotiveerde en negatieve houding toegeschreven. Zijn vertrek op de derde dag was voor KDN aanleiding bij Randstad te melden dat hij niet meer gewenst werd.

Aldus is appellant de verplichting niet nagekomen om te voorkomen dat hij werkloos blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat gedaagde in dat geval de maatregel van blijvend gehele weigering oplegt, tenzij het niet nakomen van die verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval het uitkeringspercentage gedurende 26 weken wordt verlaagd van 70 naar 35.

Naar het oordeel van de Raad is daarvan in het geval van appellant sprake. De Raad acht daartoe van belang dat vaststaat dat appellant zich bij KDN heeft ziek gemeld en dat hem toestemming is gegeven naar huis te gaan. Dat vervolgens die ziekmelding door de werkgever kennelijk niet is geaccepteerd omdat appellant als simulant werd aangemerkt, en dat die ziekmelding voor KDN de doorslag heeft gegeven om bij Randstad te melden dat hij niet terug kon komen, heeft appellant redelijkerwijs niet kunnen voorzien.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd en dat gedaagde wordt opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen. Daarbij zal hij tevens het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade in zijn besluitvorming dienen te betrekken.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen proceskosten wegens verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar van appellant beslist;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant, begroot op € 644,-- in eerste aanleg en € 644,-- in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,23 ( f 60,-- en € 82,--) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

RB2610